Begrijp je? Zoo zijn ze tegenover ons, als zij iets te eischen hebben.” (Op al zijn lessen legt die Born aan: het volle pond!) Eli moet nu voor de zooveelste maal het verhaal doen van het gevecht. Hij spreekt nergens van het Meisje, en lang niet overal en ook hier niet, van het pak.
„Men kan zijn vijanden geen kwaad toewenschen,” zegt Meyer, „het is vreeselijk dat de jonge daarvoor een oog moet missen. Dat wordt natuurlijk ook op je verhaald.” En Eli geeft zich een oogenblik vertrouwelijk.
„Ik heb het niet gewild,” zegt hij stil voor zich heen.
„Wat niet....”
„Ik heb niet willen gooien....”
„Je hebt niet willen gooien. En toch gegooid....”
Hij knikt. Dat heeft hij zoo nog tot niemand gezegd. Jankef sprak het alleen door zijn indringende bepeinzing uit. Scherp weet Eli het ook weer nu, wat hij ermee bedoelt: hoe hij zelfs in zijn drift nog aarzelde, en wist dat hij tot iets gedreven werd dat niet van hem was. Dat hij het wist dat die daad van het hunne was. En nu weet hij, dat hij daarom ook, in die daad van het hunne, ongelukkig was.
Meyer ziet hem van terzy aan. „Ja,” zegt hij, niet ongevoelig, „maar natuurlijk, dat is de Rasjie-lezing (Rasjie: initialen van beroemd Pentateuch-verklaarder) van het geval. En zij kennen geen Rasjie!”
Eli schudt instemmend zijn hoofd. En er is een oogenblik zwijgen. Meyer denkt daarin aan de vreemde wijze waarop deze jongen zijn Rasjie bedrijft. Want hij past het toe op het leven. En Meyer gelooft dat aan die methode iets is, dat den bedrijver voor de Rasjie ongeschikt maakt. Nee, een Rabbijn kan hij zich zoo niet denken. In den jongen is iets dat hem buiten den denkkring van den Rabbijn houdt. Het is misschien een aardige jonge (het Hoofd van de M.U.L.O. zei dat hij zeer intelligent, sympathiek gevoelig en ook karaktervol was, en dat is toch een heele eer als men het aan mag hooren) maar hij heeft iets dat hem voor een ambtelijk leven onbruikbaar maakt; hij kan misschien geen ambt bekleeden. Hij is teveel jongen van Jankef Leefmans: te spontaan, te onbeheerscht, te on-ordelijk, teveel „geweldenaar”.
„Ja, we moeten dat dus accepteeren zooals het is, Eli, jonge. En dan zit er niets anders op dan dat je zoo gauw mogelijk naar Amsterdam gaat, naar de Rabbijnen-cursus. Ja dat brengt nog iets bijzonders mee. Dan zal je in een lagere klas moeten dan de aanvankelijk voor jou bedoelde. Want daarvoor kun
275