„Denk je dat het mij wat schelen kan als-ie der neemt, je vader?” heeft Branca tot Evelien en Heleen gezegd. „Trouwen doe ik toch niet meer. Ja, wat kan je deran doen? Ik was te mies. Hadden de jonges dan ongelijk? Ik was leelijk. Ja, nou! nóu ben ik een aardig oud meissie, maar toen ik jóng was: leelijk meneertje! ’t Eenige is, nou ja, dat ik der nou an gewend ben om hier zoo’n beetje rond te sappelen. Als je dan weer een nieuw heksenhuissie in het bosch moet opzoeken, nou ja, dat is niet prettig. Maar als de jongen het meissie hebben wil? Je weet, daar is toch niks an te doen; wat je dervan zegt, maakt ze nog veel verliefder op mekaar. Hij kan een boel, je vader, Godweet of-ie daar nog zelfs geen Gazzens-vrouw van maken kan! Als-ie ’t kan,” kwiekt zij met een klap van haar beenige handen tegen elkaar, „kan-ie ook de kermissen met haar afreizen, daar!”
En inderdaad als Stella weg is, mompelt Meyer fronsend tot Eli: „Een nieuwe tefille.... Men kan ze evengoed een verhaal in het Sanskriet naar Sjoel meegeven; verstaan ze precies even veel van.” Hij trekt verlegen aan zijn sigarenpijpje. „Nou,” zegt hij, en ziet Eli een oogenblik mannelijk zwijgend aan:
„Ja jonge, ’t is niet zoo gunstig wat ik je te zeggen heb; dat spyt me; nog eens: dat spijt me. Ten eerste ben ik op verzoek van Vader bij het Hoofd van je School geweest. Ja, ik heb nou maar door de zure appel heen gebeten (hij spreekt dat met zooveel klem uit en trekt zijn mond tot zooveel hooghartige gemeenzaamheid, dat in elk geval die appel voor Eli alvast zuur is) „maar het heeft me niets gebaat. Nee. Het Hoofd van de school meneer Heidekamp of Heideman? (Heideman)heeft zich zeer vriendelijk over je uitgelaten (Eli kleurt) maar meneer Born (hier begint Meyer’s belang dat van Eli te raken, want Born gaat door met hem zijn lessen af te nemen, alsof Evelien’s nadering hem daartoe prikkelt, en dus dringt er echte bitterheid in Meyer’s woorden) „die meneer Born die wil zijn volle pond vleesch (naar Eli gebogen). Je weet dat de geschiedenis verhaalt hoe in een rechtsgeding een Jood van zijn vijand die zijn geleende geld niet terug kon betalen, een vol pond vleesch uit zijn lichaam, (het spel komt weer bij hem op, en hij draait zijn vuist bij dat nog eens): uit zijn lichaam, „uit zijn lichaam,” scherpt hij met scheeve wang „wou snijden. Ja, omdat dat bij het aangaan van de leening zoo bepaald was. Daarom zegt men: De Jood wil zijn volle pond vleesch. Maar die meneer Born die is dan geen wraakzuchtig Jood, maar (hij schuift zijn bril omhoog) hij wil tóch zijn volle pond vleesch!
274