het Sjoelfeest, vol oolijke verbazing de hoeken van haar bree-den mond neertrekt en met groote oogen bijna in een lach schiet.
„Ik heb nog geen gelegenheid gehad, me met je daarover te onderhouen,” zegt Meyer. „Maar dat schijnt een ernstig incident te zijn, dat daar bij je school heeft plaats gehad.” En eer nog Eli iets heeft kunnen antwoorden, valt Evelien naar hem uit:
„Jonge!” roept zij heftig, „als iedereen zijn best doet om je vooruit te helpen, hoe kan je je dan zoo gedragen! Hoe kan iemand zoo zijn toekomst versmijten!”
Eli kijkt haar bedrukt aan.
„Hoe kan men iemand zoo’n ongeluk bezorgen! Ja! Je hèbt niet te gooien met zoo’n ding! Je moet je handen bij je houden!”
Terwijl Stella van Raalte een milden lach om haar schalk-schen mond krijgt en Branca zwijgend omlaag ziet, zegt Meyer, met geheven hoofd zacht en zakelijk:
„Het is een ongeluk, Evelien. Dat kan men toch op zijn vingers natellen.”
„Hij is een ongeluk!” snauwt Evelien. Zij staat op en keert zich nu heelemaal tegen haar vader, terwijl zij de kamer verlaat:
„Een stuk ongeluk is het, ja! Ja, U zult iets van dat gekke kind afkeuren! Een abnormaal over het paard getild oud mannetje! In het verbeterhuis daar hoort-ie! Het is een schande voor ons allemaal, maar vader ziet het maar niet!”
Zij slaat de deur van de kamer toe, en niemand begrijpt iets van haar felheid. Voor Eli is het nog een extra toegiftje; hij was er niet op voorbereid, en hoewel hij haar als een onwillige jegens hem kent, voelt hij toch dezen aanval als een diep verraad. Het schroeit hem: zij zag er zoo lief uit, met die glanzende oogen, die blanke wangen, van een tint die aan Louise van der Wal doet denken, en dien fijnen bedonsden mond boven baar dun-wollcn herfstig gebreide blouse, met roode wollen balletjes die als vruchten, net pruimen, aan gevlochten steeltjes heen en terug vielen langs haar hals. En daar staat zy opeens als een vijandin die hem het leven misgunt, die alles, in één ontkenning van zijn rechten, valsch uitlegt, precies zoo valsch als die hondsche gek van een Born daar bij de Vaars in het kamertje stond.
Branca zegt het eerst wat tot hem: „Ze moeten jou hebben vandaag, zeg!” spot zij onverstoorbaar. „Ja,” vraagt zij met
272