Hij weet niet dat hij ze om haar heen heeft gedreven. In geen diepte van zijn hart dat meent waakzaam te zijn, kan hij de grens-toppen van zijn daden vermoeden. En weten de jonges het? Weet het Louise Maria van der Wal? Of iemand?
Het verhaal van den sleutelslag in Matthias’ oog heeft zijn werk gedaan; het springt, het verstuift, het werkt met prikkelende stralen en schokjes, als een injectie van heel de schooljeugd. Het meisje van der Wal lastig gevallen door een onguur tiep dat van school is gestuurd; Matthias Born moet haar verdedigd hebben; ongeluk of opzet, Matthias Born zijn oog verloren door een stuk ijzer, een sleutel, een bout, een klomp! Verduveld aardig fijn meisje, erg geschokt door een schaamteloos optredende jongen beneden alle peil.
Drie kwart van den welstand van de stad weet het, zonder Eli’s naam te kennen. Louise van der Wal. En de groote jongens, de achttien- en negentien-jarigen, dringen om den glans en de honing; Louise van der Wal wordt omstreden. Suze Penard, de flinkste meid van haar klas, met wie zij zich verzoend heeft nu het tijd wordt de narigheid van dien dag te vergeten, deelt een stukje mee van haar eerste, volle, jonge-meisjes-glorie.
Aan Louise’s arm, aan dien kant waar eerst Mientje Wiegand alleen gaan mocht, loopt zij nu mee, breed lachend, tusschen de groote jongens.
267