van de Sooten (duivel) die ze inhebben, de laatste stuiver naar vrouw van Daalen haar toonbank brengen; „asjeblieft nog ééntje, anders is die stuiver zoo alleenig”, of as-ie der niet is, eindelijk der voor léénen en op het laatst eindelyk dervoor een gapperijtje doen, en zoo komen ze der heelemaal tot aan de kin toe deronder.” „Ja.... niks te doen,” zegt hij hen na, „ja jonges, allemaal waar, as je der nou maar geen borreltjes bij op had. As je nou maar niet net precies deed of je der niet van weet dat de stad Schiedam toch maar netjes van jullie blijft leven, watblief?”
Eli loopt met Jankef naar huis. Aan den overkant van het bin-nenvaartje, liefelijk, gaat, naast Suze Penard, en door een troepje groote jongens uit de hoogste klas van de H.B.S. en een jongen adelborst omdrongen, het Liefste Meisje van de Wereld. Ook al was Jankef niet hier: hij zou wel ver zijn van den moed om haar te naderen. Hij was bezig na te denken over de dronken sigarenmakers en Jankef’s woorden; een bevriendheid, een gevoel van saamhoorigheid met hen verwarmde hem bevredigend. Het groepje drukke jongens om de be-feeste meisjes grijpt en sleept zijn gedachten uit die rustigheid van dat gevoel van lotgenootschap, naar deze spanning tot het onmogelijke. Waarom? waarom toch dat wat onbereikbaar is juist? De geringste overwinning daarheen is woedender van verrukking dan het volle lauwe bezit dat in de handen glijdt. Dat is nog geen één keer gebeurd, dat hij haar met jongens zag; en dan met zulke! Veel ouder dan zij, en dan zoo druk, zoo opdringend om haar heen. Een schrik brengt het, en een lichamelijke pijn als een werkelijke wond. Is hij dan werkelijk verliefd op haar? Kan dat dan? En waarom dan dit: die jonges? Die vreemdheid?
Alsof hij opnieuw zijn verliefdheid ontdekt, opnieuw met een zoeten schok de ernst-wording meet die zijn botsingen eraan hebben geslepen, en pas voor het eerst de snijdende bitterheid lijdt van haar vreemdheid, die zich zet als een straf voor zijn stouten aanloop.
En toch moet hij; hij weet dat hij die pijn moet doorkreunen. Een pijn is het nu zeker. Het verdwaasde staren in die vreemdheid van wat hij toch zoo dichtbij, zoo tot vlak voor zijn oogen heeft getrokken, dat de geest van hun beider adem uitsloeg tot een vlucht, omwolkt door den geur van de pratende rozen aan het water.
Wat is er dan nu opeens met die jonges?
Hij weet het niet.
266