„Sigaremakersj ongüs vol van glorie!
Latun de moed niet zin-kün.”
Zij zwaaien de maat en betuigen elkaar den zin van hun lied:
„Zij hebben alle dagün een goed rantsoen, Sigaremakersjonges hebben niks te dóen!
Hèn ze lee-eevün Ze lee-héé-vun,
Ze leven van de stad Schiedam hó-ja!
Ze lee-éévun,
Ze lee héé-vun,
Ze lee ven van de stad Schie-dam!”
Mautje van Oome David komt een oogenblik bij hen staan; zijn jongste broertje op den laten zuigeling na, de achtjarige dom-drukke Ezra, hangt aan hem. Het kind grijnst tegen Jankef en Eli om de raar zingende groote mannen, en om het geheimzinnige van een paar politie-agenten, die zonder in te grijpen, naderbij zijn gekomen. En plotseling zet Ezra groote oogen op, en wijst op een van de dronken dans-zangers, die met een bleek bezweet hoog voorhoofd ernstig staat mee te koren, zijn mond openend en sluitend onder zijn vaderlijke neerhangende blonde snor, alsof het plein de kerk en zijn lied een psalm was.
„Hé! die keerl!” roept het ventje, „die keerl die is laatst bij ons thuis geweest! bij vader!” Hij keert zich tot Mautje, „die!”, roept hij om ook Mautje steun in zijn herinnering te vragen. Eer hij nog eens heeft kunnen wijzen, grijpt Jankef hem, en sleurt hem met zijn broertje samen achteruit. „Wat doen jullie hier! Weg!” roept Jankef veinzend, „neem mee jonge, je broer! naar huis! en gauw ook!” Zij zijn geschrokken en nemen de beenen voor dien snauwenden Oome Jankef, die hijgt en zijn brauwen fronst van den schrik om David’s gevaar. Hij mompelt tot Eli zijn „potverdomme’s” nu, en „dat je het niet kunt weten in hoe een klein hoekje het schle-mazzel (ongeluk) op je kan zitten loeren en boven op je kop springen.” En daarop breedt hij zijn mond en schudt zacht zijn hoofd bij het aankijken van den als bezeten plechtigen sjikkernik dien Ezraatje’s vinger aanwees: „Ja,” zucht Jankef, „zoo komen ze van de eene sof in de andere. Een ongelukkig stukkie miserabele in-mekaar-zetterij van een toestand-zonder werk, en
265