wèl erg vinden.... denk je van wel hè....? om ons hier samen te zien? ja hè?” Hij zoekt verslagen in Eli’s blik naar de afwering van zijn nederlaag. Eli ziet Hanna aan, en die zegt: „Nou natuurlijk, dacht je nou dat Vader dat zoo maar goed vond?” Eli vindt de ineenzinking van Marius’ zekerheid onder dat onbegrijpelijke sputteren pijnlijk; hij voelt verzet tegen Marius’ bedekt verwijt dat dus een eisch beteekent, maar het komt niet in zijn gedachten op, een tegenvraag te stellen, waarvan hij toch de gegrondheid zou erkennen: „En wat zou jouw vader wel zeggen als hij jouw zusje met mijn broer zou ontmoeten?” Hij doorvoelt het beeld van die tegenvraag, maar hij mist de tegenwoordigheid van geest nog om ze te stellen of voor zichzelf vorm te geven. En zijn rechteloosheid tegenover Louise van der Wal staat bij deze werkelijkheid zoo buiten twijfel; die zaligheid van haar te mogen naderen is zoo louter een in zijn oogen lichtende verrukkelijke hemelbrand, dat het verband met deze vraag niet eens tot zijn waargenomen gevoelens kan doordringen.
Hanna gaat met Marius mee; zij wandelen naar de buitensingels en het duistere plantsoen, waar noch Jankef noch iemand anders dan de overige vrijende paartjes hen zien zal, een beetje vroeger dan het in beider bedoeling lag, en een beetje te vroeg voor den stand van hun verhouding. En eerder dan natuurlijk is, doen stilte en heimelijkheid, het gebrek aan eenheid van ontwikkeling dat de gesprekken beperkt, en Han-na’s opdrijven van de vertrouwelijkheden, den jongen vol-loopen met haar krachtige warmte, en brengen de kussen.
En Jankef vindt Eli alleen; hij vertelt dat Meyer nu op zijn verzoek naar Heideman is geweest, en dat hij Eli den volgenden ochtend wil spreken. Naar Born te gaan heeft Meyer geweigerd; maar wat hij over het Sjoelfeest zei, dat moet Eli maar zelf van hem hooren; „veel goeds,” zegt Jankef, „schijnt het niet te wezen; smerige stinkende stommelingen van lui,” ontwijkt hij handig.
Het is pauze; gierend en brullend breekt de jeugd nu over het plein los; de rijen storten in elkaar over, de afsluiting wordt voor een kwartier opgeheven, en zoo brokkelt ook het uiterste carré naar binnen en de toegang is zelfs vrij voor de verste linie van de vermaakzoekers: een groepje werkelooze dronken sigarenmakers breekt, tuimelend en bleek, met losgerukte kleeren door de dichte massa, en staat vlak bij Jankef en Eli tot elkaar te zingen, goor en dolend van drank, maar in hun laatsten be-wustzijnsgrond toch opstandig.
264