geen begrip, en hy durft het niemand vragen, van wiens betrouwbaar antwoord hij zeker is. Zoo, op een afstand bezien, in zijn werkzame alleenheid, is Jankef’s verschijning zoo ver-teederend voor Eli, dat hij het zich wel bewust moet worden, al is het niet in woorden. Want terwijl Jankef daar zoo, met de handen achter zich tegen den muur als om de hardheid van dat steen van zich te houden, half hangt, half staat, het levendige en krachtig begroeide hoofd met de zachte, door het weer oneigen verroodigde huid onder zijn platte klep-pet, en de groote oogen wijd-open blikkend naar de muziek-tent, beeldt hy heel het aangevallen maar on-overwonnen zachte, vriende-lijk-speelsche van zijn leven, dat voortgaat zacht, vriendelijk en speelsch te zijn, maar bij oogenblikken van steeds keerende crisis, in den hartstocht onderduikt van zijn gemis aan doel. Dat zich in de modder waagt tot aan de lippen van het lichaam, maar zijn vasten mond en zijn kinderlijke oogen daarboven uitheft als een onvergankelijke vaan; in de oogen de vriendelijke vraag die antwoord genoeg zelf is, en om den gesloten mond, de wil om het te verdedigen. Als een kracht voelt Eli hem, buigzaam, veerend, maar toch aan te blinde tegenmach-ten blootgesteld om niet in nood te zijn naar zijn bescherming. Is het dan een verraad om Marius en Hanna tegen vader hier te waarschuwen? Het is pijnlijk tegenover hem; het is Eli of hij vader’s broosheid die zoo dapper maar trefbaar hier voor hem verschijnt, hardhandig achteruit duwt, om Hanna en Marius door te laten. Maar hij weet dat Jankef, als hij hen ziet, aan hun omgang een eind zal maken, en dan voelt hij, door een glimp uit Jankef zelf, zijn weerzin gesteund tegen het verloochenen van zijn saamhoorigheid met de jeugd. Want hy weet dat Jankef in dit geval dat zijn vaderlijke orde-gevoelens geldt, wel van Eli de mede-werking eischt; maar dat hij pas wanneer het anderen betrof, zijn friscliheid zou laten spreken en bah! zou zeggen van den jongen die de partij van den ouderdom koos.
Marius’ idyllisch verbondenheids-gevoel met de familie Leef-mans wordt door Eli’s waarschuwing schokkend gespleten; hij spartelt eerst met rood-overtrokken gezicht tegen: „Jij kunt toch hier met Hanna geweest zijn, en samen mij tegengekomen zijn,” stelt hij voor; „affijn.... dan moet jij der weer om liegen zul je zeggen, da’s ook niks voor jou.” (Is dat nu behoefte om eerlijk alles uit te spreken of akelige vleierij ? waarom moet hij het zeggen? daar is telkens iets naars aan dat je om je heen naar den grond doet zoeken) „Maar zou jouw vader dat dan
263