Terwijl hij zich snel-eerbiedig weer uit de voeten maakt, roept Mautje dapper:
„Dan gaat-ie zeker gauw dood!”
„Hoor’s! Mau!” (Zal hij het nu eens vragen?) „Vin je’t nou jammer dat Moos en Izak weg zijn gegaan?”
Mautje knikt stil. „Ik vin’t niet zóó erg.”
„Niet prettig toch hè?”
„Nee. Maar ze moeten werk zoeken.”
Geen Geheim, of althans niet een geheim als hij.
„Ze gaan misschien wel naar Londen.”
„Naar Londen?”
„Ja. Heel misschien gaan wij ook wel, als zij er zijn. Maar dat mag’k eigenlijk niet vertellen.”
„Ik zal ’t niet over-vertellen hoor.” Dat zegt hij eerst. Dan pas: „Jullie allemaal naar Londen?” Hy kan het er niet heelemaal gaaf uitbrengen. De jonge kan de ontsteltenis die hij in Eli hoort, niet verklaren.
„Nou,” zegt hij confuus, „dag....”
Oome David, tante Jetje, Raatje, Bruintje, Roosje, Mautje, Vrouwtje, Ezra.... allemaal weg. Een stuk vlak van den grond hier dat wegdrijft. Hij weet nog niet of de bodem zich vernieuwen of onder zijn eigen voeten, even krachtig dragend, zich met hem verplaatsen zal. Die stemmen, die voor hem, met welke woorden ook, evenals bij Herman en Ozer, de muziek van het leven bedrijven, denkt hij niet te kunnen missen.
Bezweet, zooals hij zelf geravot heeft, de banden uit de bloeses, rennen hem Jopie Manheim en Jozefie Vecht voorbij, in wild spel met een troep andere, Christen-jongens. Hij aarzelt of hij hen ook niet elk een dubbeltje van zijn zakgeld zal geven. Maar hij laat de gedachte weer los: zij hebben veel meer plezier dan Mautje of hijzelf ooit hadden; zij kunnen veel beter met de Christenjongens opschieten; als het noodig is, vechten zij zonder aarzeling zich hun plaats vrij. En nu moet hij gauw weer naar Marius en Hanna terug; want daar ziet hij ginds Vader staan, tegen den muur van het postkantoor geleund, zijn sigaartje tusschen zijn tanden en als vaak, met verwonderde oogen luisterend naar het onbegrijpelijke spel van de muzikanten.
Jankef tracht tevergeefs het raadsel voor zich op te lossen van die samenwerking tusschen spelers en leider: hij tobt erover hoe het mogelijk is dat de muzikanten in het wilde weg spelen bij den maatslag van den dirigent, terwijl zij toch een zekere eenheid bereiken. Van de taak der muziekbladen heeft hij
262