een plezier van gevleidheid zich als vertrouwde van hun be-langwekkenden kring, en hij is tevreden met zich zelf, als de jongen die zoo heel anders dan de zijnen, met alle menschen kan leven, omdat hij zich niet door een mal standsvooroordeel tot den omgang met één deel van de wereld-bevolking laat beperken. Vooral door Hanna wordt Eli, langer dan zijn verlegenheid hem dragelijk maakt, bij hen vastgehouden: „Och kom jö, we praten!” noodigt Marius; maar als hij ziet dat Eli in pijnlijke bescheidenheid glimlacht reikt hij hem een kwartje aan: „neem het nou jö,” dringt hij hartelijk, „ik heb het, en jij moet misschien een paar dagen in de wei loopen; dan heb je wat noodig.”
Een blik in Marius’ oogen die een vraag is: „Kan dat werkelijk zoo zijn dat jij heelemaal aan mijn kant staat? Zou ik dan werkelijk daar een echt stukje onvoorwaardelijke genegenheid vinden? kan zooiets heerlijks me dan toch nog zijn toegevallen?” Een vraag door de Bree niet onbegrepen, maar wel ongrijpbaar in haar springende vlucht boven hun samenstand uit. Marius heeft zijn overgevoeligheden. Hij is vertee-derd tot bijna aan een enkelen traan toe; spijtig dat Eli (dat ontgaat hem niet) tegenover zijn sympathie zijn wantrouwen houdt, en ze daarmee juist aanvreet. En Hanna glimlacht daarbij verrukt verzekerend; haar bevalt het, dat Marius zoo in haar eigenste sfeer wordt getrokken. En zoo hunkerend is zij naar een hartelijk verband met zoo’n jongen, dien zij niet laten kan in te enten met haar sentimenteelen maar warmen geest; zoo gevleid is zij daarbij met zijn verschijning en zoo bekoord door zijn al mannelijke kinderlijkheid en zijn welriekende schoone kleeren, dat zij aan geen oplossing wil denken, en het spel met al zijn gevolgelijkheden geniet. Het is haar alsof zij, op een halfwerkelijk droompad vlak langs de wereld van haar werk, in den warmen schaduw van een massa strui-ken-groen, een groote zoete vrucht dicht tegen haar mond geklemd staat leeg te proeven.
Eli is met zijn een-gulden-vijf-en-zeventig nu zooveel rijker dan hij nog ooit in zijn leven was, dat hij van pure weelde Mautje van Oome David die langs hem gaat, vasthoudt om hem een dubbeltje te geven. Mautje, met zijn kroeshaar op zijn bleekgroene kopje, kijkt hem met zijn bruin-zwarte oogen glimlachend aan:
„Kunt U het wel missen?” vraagt hij zijn leeraar.
„Jö, ik heb een hoop geld. Van Oome Ozer heb ik ook een heeleboel gekregen.”
261