telooze tumult in van de opgeschoten jongens en meisjes die samen onder schreeuwen, giechelen en gillen, knepen en grepen, een rennende liefde-jacht spelen, en steeds blind-schuldig tusschen de wandel-rijen tuimelen, waar zij met woede, als brandende stukken hout, worden teruggegooid. Eli heeft altijd eerst de spanning te doorstaan van tusschen de menigte te zyn; het is of een wind even beklemmend door hem heen vaart; vanavond moet hij aan het oogenblik buiten school denken, vlak voor het gevecht met Matthias, toen hij wilde vluchten. Even die angst door je heen laten gaan, en dan word je wel stevig. De meiden en de jongens die ze achterna zitten, zijn natuurlijk wel lollig jong; „zoo sjeuige sallemander! Hoè-oe God, kom mee! daar komt die zwillekop weer an!” maar hij kan niet begrijpen dat zij zoo ongevoelig zijn voor de ergernis van al die andere menschen hier; want zij kennen die ergernis, stuiten er op, onderdrukken hun giechelen en gillen een oogenblik, en gaan toch weer zoo rauw-gulzig verder alsof zij alleen op het plein waren. En altijd blijft de verontrustende zekerheid voor hem, dat hij bij geen enkelen groep zijn plaats heeft: te jong voor de luisteraars en de wandelaars, te rustig van doel voor de uitgelaten jeugd; geen enkele vriend. Een vreemdeling; pas tevreden als hij alleen is; elk verband met anderen is maar een spelletje. Ja, Siegfried Bloch heeft lak aan de vijandschap; hij loopt met een meisje. „Wat?” zegt hij met zijn laatste schichtigheid als hij haar aangeschoten heeft; hij kijkt om naar een jongen die hem zijn hoed wil afslaan, sluit zijn oogen en grijpt zijn hoed vast, kijkt naar den jongen om en stapt met zijn korte O-beenen, zijn gatje achteruit, weer brutaal naast het meisje voort: hij weet er zich wel door heen te slaan; zijn kleeren zijn goed, hij heeft flink zakgeld en een driestheid die zonder eenige onderbreking voor de indenking van de anderen, op elk doel sloom maar vastbesloten afgaat. Eli begrijpt ook niet al is Siegfried dan ook twee jaar ouder dan hij, wat hij daaraan heeft, met zoo’n meisje te loopen, eiken uitgangsavond met een ander meisje desnoods, enkel om na een uur kletsen gauw te gaan zoenen in het plantsoen, en dat in alles zoo duidelijk te laten merken. Onder zooveel meisjes elk aardig gezichtje goed te vinden, dat vindt hij af-stootend, daardoor is het of Siegfried Bloch voor hem stinkt. Hoe kun je nou niet één verrukkelijk meisje eruit kiezen en daarop verliefd zijn zoolang als het mogelijk is? Daarin is Max van Raalte toch dichterbij hem, al is hij wel te vaak verliefd, en niet hevig, en enkel op van die poppetjes. Zeggen
259