--* n zoo weet het de heele stad. Hij vreest de vele vrien-
, ' den en kennissen van Matthias; hij komt alleen in de ^ schooltijden in de straten, en zoo zoekt hij een beetje warmte bij de gemeentelijke-muziekuitvoering op het ■--4 marktplein voor het volk. Daar is een geest waarin hij
zich nu wel voelt te kunnen wagen; de jongens van de scholen der welgestelden komen er niet, zij hebben hun eigen muziek-societeit. Hier op het plein rondom de verlichte muziektent is het zeer zeker ook gevaarlijk voor zijn rust; maar hij is extra voorzichtig; hij wendt al zijn kunst-grepen aan om geen trekpunt van de aandacht te worden: hij kijkt, als hij voelt dat blikken zich aan hem hechten, naar den grond, naar de lucht, naar den dirigent in zijn schutterij-uniform, en vooral ook naar een opvallend wezen onder de menschen, en dan is men wel van het uitzonderlijke afgeleid en tevreden. Eerst is er de volle vreemdheid van dat plein vol menschen, en de muziek die je nog niet kunt pakken; er zijn wel enkele maten die je treffen, maar het geheel van het spel sluit bijna nergens op zijn verheffing aan; grove manhaftigheid en triestige verlatenheid zendt al dat koper uit, en aan de waardeeringen die hij hij de van Raalte’s opvangt, weet hij wel dat het om gevoelens gaat die in kleine, ja valsche geestdriften monden: roode koonplekjes en oog-glinsteringetjes bij Rosa, en studen-ten-vroolijke of hraaf-ernstige instemminkjes bij Max, en het onhandige na-deunen van de wijzen door Hanna. Ook al doet hij mee omdat het alles is wat hij hier ontmoet: zij drukken hem, en hij weet wel dat hij den wil, maar, behalve dan de Sjoel-muziek, geen vorm bezit om er boven uit te stijgen. Daarom kan de schutterij-staf hem wel bezig houden, maar niet ontroeren, ook al zoekt hij daarnaar en tracht hij het zich nu en dan op te dringen. Het is ook moeilijk, lang achtereen bij de luisteraars te blijven staan, want dat zijn de ouderen, voor wier berustende levens-tamheid de uitvoering een bewonderenswaardig spel van vaardigheden is; de uitkomsten beelden een leven dat onwerkelijk staat, en waarin van hun eigen gewaarwordingen alleen de Zondagsche gevoelens zijn terug te vinden. Maar zij, en de enkelen achteraf zijn toch de eenigen, die voor de muziek hier zijn; vlak achter hen wandelen de jonge paren, de kalme vrienden, en de keurige vriendinnengroepjes, en die dammen voor de eerste rij het schaam-
258