Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



gedaan heeft en het niet vergelijken met de Toure (Thora), want wat in de Toure staat dat is heilig, en wat een kwaad kind doet dat moet gestraft worden. Een flink pak slaag had-ie moeten hebben, hij, waar de jonge bij wras, niet om de jonge, maar om zijn pertaligheid. Omdat de kinderen tegenwoordig maar doen wat hun in het hoofd komt. Dat is anders als prijzende woorden en Kodesjborege en David Hamyleg (koning David) erbij halen.”

„Heeft-ie dan de jonge juist niet veel te veel eer aan gedaan?” vraagt Herman die ook het zyne er van hebben moet. „Heeft ’m toch zeker tot koning gezalfd?”

„Wat?”

„Jazeker! Heeft-ie ’m niet tot koning in het land van de blinden gemaakt?”

„Hoor! Daar spotten ze mee! Een garp (schande) is het! Misschien ja worden onze ruiten er morgen voor in-gegooid!” gokt Klare de Jong lukraak, zoodat Herman weer hoont:

„Ja misschien keurt de keurmeester straks twintig kalveren derom af!” Hij ziet valsch rond en lacht.

„Hij is toch goed,” lacht Ozer. Herman, die de vertegenwoordiger van de zaak naar buiten is, is de eenige dien hij te goed vriend houdt. Terwijl Eli zich los wil maken, besluit Ozer: „Naar mijn idee heeft-ie zich buitengewoon gedragen. Het was puik-puik. Zonde en jammer voor een zoon van Jankef.” Eli kan, in het verband dat nog sterk staat met Ozer, die bedervende gew’oonte-lafheid niet dulden. Als hij zich voor dit hetere oogenhlik bij den gek heeft aangesloten, voelt hij zich sterk tegenover hem, en zal die hem in zijn minderwaardigheid eens niet ontgaan. Hij keert zich plotseling weer naar Ozer om, als een kracht, vertrouwelijk maar over hem heen. En zoo brengt hij zijn blik in diens oogen, bestraffend, uitnoo-digend tot eerlijke overgave, maar zoo vol vriendelijkheid, dat Ozer’s valsche uitval in een verlegen glimlach bezwijkt. Meer kan Eli niet vergen. Hij keert zich weer om.

„’t Is ommers juist de sleutel van Jankef’s huis,” zegt hij zacht, in die vriendelijkheid.

„Zal ik sterreven,” mompelt de nar, „het is een puike-puike, ich mosz ém —- kom’s hier jongetje!”

„Zing je op het Sjoelfeest?” vraagt Rachel.

Eli knikt.

„Mag in het geheel niet,” bromt Ivlaartje de Jong, „iemand die zoo iets gedaan heeft, mag niet bij God voorgaan, voor de Kille. In het geheel niet.”

256
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.