„Ik zal sterreven,” hijgt Ozer met flikkerende oogen, „het is grootsch om te verstaan — de harpen behooren er van te tokkelen — het zal door de dichters bezongen worden — de volkeren zullen het hooren en zich verbazen.... de natiën zij zullen staan als stom geslagen.”
„Gek! Hoor die gek! We krijgen storm!” Rachel schiet er van in een schoklachje.
„Ik zal sterreven ik zal doodvallen het is een wonder van God.... het is het woord van God dat hij met zich mee-draagt en hij doet er wonderen mee. Hij zoekt een wapen, naakt is hij.... de sleutel van het Huis van Isrel neemt vleugels aan en de vijand valt voor God’s aangezicht.”
Hij let niet op het schreeuwen en lachen en den gram van Klaartje de Jong. Hij laat zijn woorden loopen, als in een wolk van vervoering, uit den Pentateuch opgeroepen, in een vluggen maat als van snelle loopvogels; nu en dan staan zij, en vlotten weer, koppelen vol-opeengedrongen, en schieten weer vrij.
„Ik zal sterreven in vroeger eeuwen zouen ze ’t bezongen hebben, het is een leegende.... het is grootsch voor de oogen van Jacob, een wonder voor het gezicht van Isrel.”
„Hou je nou haast op, gek?”
„Sjykets (de jongen) heeft toch niet gelasterd, gek?” roept Klaartje, „hij heeft hèm geplaagd! Kwajonges onder elkaar!” „God niet gelasterd? weet je veel!” minacht Ozer met opgetrokken neus, zoo hoog dat hij heel het bovendeel van zijn gezicht daarmee tot het masker van een bitteren Faun maakt; want zoolang er brood en vleesch en koffie en koek is, is buiten zijn vergiftigende verscheurdheid om de wereld en zijn onttrekking aan haar, niets zonder spel bij hem. „Ooren hebben zij en zij hooren niet! gebiedt de vrouwen achter de pakkage want het woord des konings verontreinigen zij.”
„Heeft-ie God gelasterd? Zeg Eli?”
Eli blijft in zijn ernst bij Ozer.
„Hij heeft mij gelasterd.”
„Waarmee dan?”
„Dat kan ik niet zeggen.”
Nu kijkt ook Herman schuin naar Eli op.
„En ben jij dan God?” dreigt Klaartje, „ben jij dan soms Kodesjborege?”
„Hij is toch zeker de dienaar van Kodesj Borege?”
„Dat is de vraag nog,” gromt Ivlaartje’s mannenstem schor in de diepte, „maar men moet zoo iemand niet prijzen die zooiets
255