hem aangepakt en godweet en godbewaart zijn hoofd met z’n allen net zoo lang in het water gehouden (met duim en wijsvinger toont zij dat) tot z’m vermoord hadden.”
Alleen mesjoggene Ozer heeft hem den dag daarna met gezang ontvangen. Als met lijfelijken honger haakt hij zijn onge-plaatsten socialen hartstocht op alle onvolkomenheden van de wereld, die zijn heete smidse vol bezielde maar vormlooze rompen beuksel, niet opneemt in haar ordening.
Eli vond Ozer echt, ja aanbiddelijk.
„Daar is-ie!” riep-ie al dadelijk. „Hoho! Hoha.... Daar ging een knaap uit het huis Lagmi, wiens naam was Jisjaj, en hij gewon een zoon, en zijn naam was David: Koning van Isrel! waar is de slingersteen?”
Ozer stond in al zijn kracht-ruimte; hij was enkele uren tevoren bij zijn minnares geweest, de zoete lange zeemansmeid, die op haar wijze, zichzelf en den korten maar vulkanischen minnaar op twee weken gedwongen scheiding tengevolge van het aan wal zetten van haar man door de Stoomvaart-Maat-schappij, gewroken had. En nu was zijn kop als een kamer vol nieuwe zuurstof, en bij den zuiversten stand van zijn ongelijk span-vermogen, was hij voor al de eigen mildheid klaar. Eli waagde het op een zeldzame geefschheid; hij plantte zich rustig en vriendelijk voor den nar, keek hem strak aan, haalde zijn zwaren sleutel uit zijn broekzak en hield die op de hand hem voor:
„Hier. Slingersteen.”
Hij wist wel wat hij er mee toonde: het Geheim.
Maar dat is toch tegen Ozer’s spot of misvatting bestand. Want het is het beste van Ozer zelf; hij kan er zich nog niet heele-maal van hebben afgewend.
„Een sleutel?” en Eli zag hoe de opwinding steeg in den kerels-kop; „Wat voor sleutel is dat dan.... Is het daarmee gebeurd?” „Sleutel van ons, van onze schuur.”
„De sleutel van onze schuur? (van Jankef’s schuur, jammer; maar dat moet-ie nou maar even vergeten) De sleutel van het Huis Isrels? Adenommegod!” praat Ozer stil, „de sleutel van het Huis Isrels....”
Hij tilt zijn stemkracht en zegt met wellust, met een geluid dat zich uitbreedt en staat, en zonder adem-pauzen:
„De Filistijn nu stond en lalde en hoonde de God van Isrel.”
Eli bleef staan. Hij wendde zich ook niet af; hij knikte aanstemmend Ozer toe, die met een lach enkel in de glinsterende oogen, een verhand met Jankef’s jongen als met niemand ooit
253