aan zoo’n jonge. Al zijn ze dan goeiiger, in hun bloedgevoelens dichterbij: de uitkomst van hun houding is toch niet veel beter voor hem dan die bij de van Raalte’s, waar Rosa, een eind achter Max, maar in dezelfde richting van hem verwijderd, zoo enkel over Matthias’ verlies spreekt, dat hij duidelijk voelt hoe zij op zijn zeldzame scheefheid van wezen alle schuld zet. En waar Stella, bij wie achter lippen en jukbeenderen altijd de lach te wacht staat, tot haar zuster droogjes spot: „Ja, wat heeft-ie nou heelemaal gedaan? enkel maar toen-ie wegging, de sleutel inplaats van onder het raam, dóór het raam naar binnen gegooid!” En dan trekt zij een scheeven mond en schiet in een lach, een lach die aardig zou kunnen zijn, als het niet zoo luchthartig wegvegend tegen hèm ging, zonder boosaardigheid, en zonder aandacht: „’t Is me een tiep, hoor!”
„Nou,” zegt Rosa rood, „’t is voor allemaal akelig; maar ik kan me voorstellen zie, dat de vader van zoo’n jonge verontwaardigd is. Want het is toch verschrikkelijk, zie?”
Rij Herman en Ozer moest-ie ook zijn voor Vader, en overal is het bekend. Klaartje de Jong heeft maar drie kleine aanmerkingen: één op de jongens dien zij beenen en armen afvloekt; een op Jankef, die zijn zoon, om hem Rebbe te laten worden, op zoo’n smerige sjmad-school doet, en een op Eli die er eiken morgen heen gaat en er maar steeds van de ladingen spek vóór zich zit te zwelgen. Als deze drie deelen van de menschelijke aarde-bevolking vandaag gesteenigd zouden worden, zou zij voor vandaag misschien tevreden, en misschien ook niet tevreden kunnen zijn; maar zij zou in elk geval tot morgen haar inquisitie-blik binnenhalen en het Joodsche Krantje nemen om verder nog wat klein werk af te doen. „Een zeldzaam buitenmodel van een vrouw,” zegt Jankef, „brandstapels moet ze om zich heen hebben, die vrouw. Een compleete Catarina van Rusland is het.”
Rachel, de onder-ketterjaagster, met haar ronderen kop onder haar blauwzwarte plakje haar als een muts met kwast, bijt Eli met gloeiende oogen toe, dat hij niet moet zeggen, zooals ze gehoord heeft, dat hij het niet gewild heeft. Want dat is laf. Nou-ie het gedaan heeft, moet-ie er ook rond voor uitkomen, dat-ie het vuile sjalf twee oogen hadt willen uitgooien, maar dat-ie er maar per ongeluk één heeft geraakt.
„Alles is goed,” vindt Fie, „zooals God het laat gebeuren; het is erg, maar als-ie zich ja niet geweerd had, (achter adem in één overmoederlijken hartstocht door) hadden zc’m met z’n allen misschien de andere week een ongeluk laten krijgen, of
252