kostbare belooning is voor al wat daar achter hem ligt. Zoo wil het dat „Oogenblik” van dien ochtend, en hij verstond dien wil. Straks, eerst om de stad, dit heerlijke water langs, en dan dwars door de stad zelf heen loopen, naar huis om te eten als een prins die van zijn wandeling komt: gebraden vleesch, van de verzekering, dat hij straks op het vuur heeft zien staan. Van Betje: weg narigheid van Betje; andere kant op kijken; het vleesch ruikt goed, andere kant opkijken, ooren dichthouden tegen haar dierlijk gesmak, en het braadvleesch vreten. De blikken van de menschen of de jonges eenvoudig niet voelen om zich heen, en alle neiging tot beschuldiging wegdringen: om zijn loon, zijn volle loon te nemen. Want als hij, hier achter deze zing-plek, deze rozen-aan-het-water-plek onder de boomkruinen, de wereld ginds in het gezicht ziet, dan ziet hij in dat gezicht een wil, waartegen hij lust heeft het op te nemen. Dan ziet hij een wereld-gezicht dat hem dom staat aan te kijken, alsof dat alles wat zij hem heeft voorgezet, haar regelmatig uitgereikte levenrantsoen was, en denkt dat hij nu zeker gereed staat om verder te gaan, en zich dat door haar precies zoo verder te laten opdienen. En hij begint te merken dat een tegenwil in hem bezig is, en dat een nog onduidelijke stem in hem begint te mopperen: dat zal niet gaan. Want het is nu voorloopig mooi geweest. Hij heeft nu wel zoowat alle uitspraken over dien ontzettenden dag gehoord, die er voor hem te hooren vallen: alle tantes en alle oomes, en alle bereikbare gemeente-leden, bij wie hij op Zondag-morgen bij vader of voor vader het „Gewwre-geld”, de contributie voor de Jood-sche Genootschapjes, komt innen. Vader’s neven, Simon Katz en Jole Katz, die eerst glimlachend verwonderd naar hem kijken: „Jaa? aanstaande Gazzen of Raaf (opper-rabbijn) ! Laajnt alle weken in Sjoel! van Jankef! dat moet je niet zoo min rekenen!” alsof hij een scherpe maar fijne daad heeft gepleegd, aan Jankef’s dom-, maar zoet-vereerde bloed eigen. Maar die dan verstrakken en dan zonder eenig ontzag voor zijn vrees gaan zeggen: dat hij er misschien toch last mee zal krijgen, en in dat geval, bedoelen zij onbewust, zullen zij machteloos staan en hoogstens met een gulden of met een kwartier loopen kunnen steunen. De vrouwen, uit de Achter-hoeksche Mediene (buurt) staan er schuin-oogend bij: aan een vreemd kind is altijd wat vreemds; heeft men tijd om daarover na te denken? Haar broertjes vochten in haar meisjestijd ook wel tegen de Christenkinderen, maar niet in die wereld. En er is toch nog altijd iets „men kan niet zeggen” ’s
251