alles spaak loopt, als je gepest bent door dat huilende schaap-gedierte, en al met een bebloede kop op de keien gelegen hebt: ook nog oppassen dat je Matthias zijn oog niet bezeert. Dat alles ligt achter hem. En nu is er het oogenblik, het goede oogenblik, opeens, hier, aan het lichtende, loopende water, bij de suizende hoornen van het plantsoen en den geur van de rozen, waarvan je niet weet hoe je dien wel moet grijpen en tot je nemen om hem altijd bij je te houden, dien geur als een bundel boodschappen, uit alle bloemen samen in je gedrongen, van elke bloem dezelfde boodschap. Met een bogenden sprong, sproeiend, komt zij tot je, de boodschap: „wij zijn er, jij bent er; versta ons, hier, onder de groote suizende kruinen van de hoornen, in het vriendelijke gras, in de lichte lucht, bij het blanke, loopende levende water. Vergeet ons niet, vergeet ons nooit meer. Het is zoo: de liefelijkheid van het leven bestaat!”
En hij wist nu, dat hij vrij was; weggejaagd, maar dan toch losgelaten van school, vrij. En nog iets wist hij: hoe dan ook en vanwaar gekomen, en met hoeveel pijn ook belast, maar dat hij verliefd was; dat hij nu zoover was met zijn aandacht voor het Meisje, dat hij zich verliefd mocht noemen, verliefd op Louise Maria van der Wal. Dat kon niemand hem beletten, om tot zichzelf met gelukkigheid te zeggen dat hij verliefd was; dat kon niemand hem ontnemen, dat hij zich nu zelf het het recht gaf van den volwassen verliefde om haar zoo voor zichzelf te noemen: „Liefste (Liefste!) Liefste, Liefste, Liefste, het Liefste van de wereld. Duizend, duizend maal, in gedachten, dat woord in de wereld te roepen, het uit je lijf persend op te stooten in de lucht: Liefste, Liefste, een blinkenden stoot van ombuigend staal. En wat weet je niet? Je weet waar hij gaat, de stoot; je weet dat je hem omhoog gooit, en hem hoog, neer laat vallen boven op den top van een blinkenden berg van alle Liefste-roepen, van alle blinkende, ombuigend neergevallen Liefste-stooten. Je weet dat je hem er bovenop slingert, dat je niet tevreden bent, dat hij nog veel hooger moet en, alleen, er naast en er boven blinkend moet rondslingeren; en je weet ook dat het dan nóg te veel lijkt op alle Liefste-roepen van alle anderen, en dat hij er heelemaal niet zou moeten zijn, maar dat je het nu niet laten kunt omdat het toch ook nog sterk is, en omdat het zoo verrukkelijk is.
Weg Rabbijnen-cursus; meer dan een week vrij, volkomen vrij, met toestemming van de heele wereld vrij. De oogen voor de toekomst stijf gesloten, wil hij die week nemen alsof het een
250