zijn geweest, als het goed was afgeloopen, en dat liep nu niet goed af. Dat is het wat drukt, en wat een vlek blijft aan je, en het altijd zal blijven. Matthias had flink pijn moeten hebben, en dan genezen moeten zijn. Zoo denkt hij. Maar iets goeds is er ook gebeurd, in hem, in Eli. Een daad gedaan; Louise aangesproken, zich gemeten met Matthias, en Matthias en de jongens leeren kennen. (En de Vaars, en Born, daaraan denkt hij niet.) En Matthias heeft zooveel pleizier gehad. Hij heeft te veel plezier willen hebben, Matthias. Hier denkt Eli met wrok aan Matthias; het lijfelijke overheerscht. En weer zoekt hij in den loop van het ongeluk: natuurlijk, Matthias zou hem hebben neergeslagen, als de jongens hem niet om het lijf hadden gegrepen; als ze hem tegen Matthias hadden laten uitwoeden. Maar dan was het immers „eerlijk verlies” geweest, en hij zou wel verder met rust gelaten zijn, omdat Matthias toch ook zijn portie had gekregen, in die woede. Het is de schuld van de jonges die hem grepen, nadat ze hem eerst tot dien uitval gedreven hadden. De schuld van die jonges is het, die hem niet eens konden gunnen, dat Matthias uit dien aanval zelfs maar één harden stomp zou krijgen: die hem het recht van die wanhopige woede niet eens gunden.
En nu, nu zijn alle jongens koest geworden. Op school, waar hij een kort bewogen afscheid van Gallé kwam nemen in het Hoofd-kamertje, mocht ook Otje Berghuis even bij hem, en die vertelde dat de vaders van de jongens aan alle rooftochten en alle Mexico-spel een eind hadden gemaakt, en hen aan het werk hadden gezet onder harde bedreigingen met inhouden van geschenken en van vacantie-reizen op Kerstmis. En ze waren allemaal braaf aan het werk, alsof er met een zekere Eli Leefmans nooit hier iets gaande was geweest. En als Matthias terug zou komen, smoesde Otje wijs, zou dat met die van hetzelfde laken een pak zijn. Matthias wordt ook braaf: dat had zijn vader de Vaars verzekerd. En Eli voelde dat hij buiten de aandacht werd gezet. Dat alles voor niets geleden scheen; dat men tevreden was, dat hij hier niet meer bestond.
Opeens merkte hij gister dat hij langs het ziekenhuis liep waar Matthias ligt. Hij keek de buitenmuur aan, hij wilde het matglas van de vensters doordringen. Hij heeft naar de deur geloerd, bij de gedachte, die zwaar in hem zonk, aan den jongen binnen die misschien wel schreeuwen moest van de pijn, of de lippen stukbijten om niet te schreeuwen; en die daarbij nog maar één echt oog zou bezitten, voor zijn heele verdere leven. Dat hoeft niemand hem te zeggen; wie er zijn mond voor tot
248