En: „Het is verdraaid jammer dat je niet gevraagd hebt, van wie dat pak dan was; dan had je ’t niet aangetrokken; het is natuurlijk voor die lui verdomd gek, dat is nou eenmaal zoo: dat jij dat pak aan had. Ik zeg niet dat ze daarom het recht hebben om jou te pesten; dat is altijd gemeen, als je toch niks beters hebt. Per slot geeft het niet wat je an hebt. Voor mij niet. Maar voor die lui hadt je beter moeten oppassen, als je ze toch kent.”
En: „Onverantwoordelijk van je vader om het je mee te geven naar school: hij kan het weten. Ik weet zeker, als wij in die omstandigheden waren, dat Ro mij dat vast niet zou laten aantrekken zonder me te waarschuwen. Nou zit je dermee. As je die vent een tik hadt gegeven, al was die nog zoo hard aangekomen.... maar dit zullen ze je altijd zwaar blijven aanrekenen. Ja, ik geloof natuurlijk dadelijk dat het een ongeluk is, als jij dat zegt. Maar het was véél beter geweest, toen ze je eenmaal vasthielden, dat je maar berust hadt, als je eenigs-zins had gekund, ’t Is voor jou ook beroerd. Maar voor hem ook? verdikkeme, geen pretje, je heele leven met één oog te moeten rondsjouwen? door zoo’n vechtpartijtje?”
Dat kost inspanning, om je aan die onzijdigheid te onttrekken, als je weer alleen bent; de inzinking van de vriendschap die al die woorden beteekenen, te vergeten, en tot je eigen mee-ning over het gebeurde weer in te keeren. En dan vindt hij, zoo schijnbaar gelijk aan Max’ uitspraken, en toch zoo in de diepte heel en al verschillend, zijn voldoening terug, die hem van die verflauwende, verlammende, ja haast bevuilende teleurstelling weer vrijzet: in alles wat achter hem ligt, goed gedaan, behalve in één ding, en dat heeft niet anders kunnen zijn. O, hij weet wel, in dat zoeken en dringen in de telkens weer zich aan hem opleggende voorstelling van dat oogenblik, dat er een haast niet te pakken verband leeft: tusschen den sleutel, zijn eigen sleutel van den zolder, en zijn wil. En tusschen den sleutel en het oog van Matthias. Want alles, alles weet je, (en daarin ben je niet anders dan iedereen, want iedereen weet alles). Je wist dat hij den sleutel in zijn gezicht kon krijgen, en dus ook in zijn oog. Maar je bent begonnen iets te doen dat allang in je bezig was, en dat in je aan den gang is gebracht, en je kunt niet terug. Je wou misschien nog net even stoppen, maar dat kon niet meer; je kon niet meer tegenhouden dat er iets gebeurde dat je niet meer overzien kon. Je liet iets los van jezelf dat je niet meer in je macht hadt, en alles kon gaan gebeuren buiten je wil om; je zou opgelucht
247