„Ben je nou boos op mij?” „Och jonge, nee!” „Nee!”
Schetter het uit, over Matthias heen die in het ziekenhuis ligt; trompet het uit, over het ziekenhuis heen.
Zing het voort, over „Geen woord meer” heen in het moord-willige kamertje; zing het over al dat grijnzen heen, en laat de wereld het weten hoe verrukkelijk zij is: zijn edele prinses, door hem geheiligd in zijn aanbidding. De zwarte, de zachte, de trotsche, de stille. De Onbereikbare. Die hem het lichaam doet uitrekken tot de ledematen kreunen in hun sluitingen; tot hij zwelt en groeit aan alle kanten, en uitstijgt boven zijn vorm.
Dat, ja, dat juist, dat kreunen van zijn pijnen, dat is haar heerlijkheid: van het Liefste Meisje van de Wereld, van Louise Maria van der Wal.
244