Oome David begint opeens zacht naar hem te grijnslachen, en blikt met goocheme oogen naar hem op. Geen dubbeltje. En de aanbidding van zijn dochter. Vijfentwintig gulden, en een oog uitgegooid van een sjykets dat hem pest (want dat heeft hij nog juist van Jankef’s verhaal vastgehouden).
Uit de kamer komt de vraag:
„He-je ruzie gehad op school, Eli?”
„Och, een beetje. Niks.” Jetje durft niet verder vragen.
Maar David wil hem zijn hulde brengen met al de verheffing die de zijne is. Want hij weet wel nauwelijks meer, dat hij Eli, bij diens binnenkomen straks, bijna naar de buitendeur terug heeft gegrimd, maar hij heeft toch ook nog een beetje verplichting aan Eli. Want als hij hem niet een heel klein pietsie te goed vriend houdt, dan gaat-ie god weet, tóch nog aan het sjmoezen over die schuur, en als het gaat lekken, dan lekt het zoo in een oogenblik gloeiend naar hem toe, en óver hem heen. Dus trekt hij, zonder dat hij zijn overweging anders dan in zijn gevoelens maakt, nog eens kameraadschappelijk zijn oogen naar den jongen op.
„Eli!” roept hij, en het klinkt als een noodiging, een wachtwoord van verstandhouding.
Eli ziet dien blik, van half genepen oogen; voor het oogenblik leeft er wel iets ondeugends aan. En hij knikt: begrepen.
Al brengt dat geheim iets benauwends, in het handhaven ervan ligt toch wel een krachtige bevrediging. Maar weet die halve gare wildeman dan, wat het zwijgen kost? Hij lacht verlegen en toch weer verrast op: schor en bauwend, als met het geluid van den boeman die de kinderen be-angstigt, zet David een van zijn drie liederen voor hem in. Met noten waarvan alleen de pit in de lucht komt te staan, en zoo gewis naast hun hoogte, dat het volkomen een recitatief lijkt bij een spook-achtigen maskerdans van sombere zuidelijke wilden. Zijn onderkop uitgezet, de oogen schitterend van inspanning, draagt hij het toch lachend voor Eli op:
„Daar was laatst een snij-der,
Hij was bekend in het land van Gent Het was een fiksche vrijer,
Het was een hupsche vent!
Hier is het mooi laa-kun Maak me daar een pakkie van,
Het overige is voor het maa-kün!
Je loon dat zit eran!”
242