kreng eer ze de kracht krijgt om der nog over te denken! Alleen Mautje, vier jaar jonger dan Eli en dus op de Joodsche school zijn leerling: een bruin krullekopje, met het smalle, bijna fijne gezicht van Raatje en van de zestienjarige Roosje, komt vriendelijk lachend naderbij.
„Wat is dat dan?” roept tante Jetje scherp bij de keukendeur. Haar bruine grijzende kapsel ligt uiteengevallen over haar hoofd. Lusteloos knijpt zij onder haar nog boersche klanken haar blauw-grijze sentimenteele oogen half-dicht; behalve die oogen is haar gezicht, blozend, van een landelijk harde scherpte, als haar stem, en haar hard-zangerige accent.
Maar Eli haalt het papiertje waarin hij het bankbiljet heeft geborgen, te voorschijn en zegt bijna ironisch kalm tot Oome David:
„Oome David, komplement van Vader.”
David grist toe met een frons die zijn onbeheerschtheid moet verbergen.
„Niks! ’t is goed volk! ’t is Eli van Jankef!” roept hij zoet naar Jetje. Hij knipoogt: „Zal ik sterreven knap van je vader, en van jou dan ook. Jij zult een dubbeltje hebben.” (wel potver-domme, als die Paus hem vijfentwintig gulden stuurt, kan die hem toch niet verdenken.)
Eli hoofdschudt. „Ik wil het niet hebben hoor.” Dat is toch te zoet tegenover die lammeling, een dubbeltje aannemen.
„Je wil het niet hébben? Is het je soms te weinig?”
„Och nee, niet te weinig. Ik wil niks hebben.”
„Mesjoggene nar!” mompelt David minachtend, (zoontje van zijn stapele vader.)
„Een dubbeltje,” hunkert Mautje glimlachend uit zijn bleeke groenheid, „wil je’t niet hebben?” Hij lacht met ver-wijkende mondhoeken en kwijnend-begeerigen blik, „geef ’t mijn maar, Va.”
„Jij ? Jij krijgt een drol.”
De jongen kijkt verslagen vóór zich, met in laatsten trots verwrongen glimlach. Eli vindt David nu toch een ellendeling, omdat hij geen zweem van een grapje, maar enkel hardheid meent, bij dit buitenkansje.
„Is Vader weer aan het uitdeelen?” Dat is Roosje. Zij slentert in haar arme vaal-verkleurde jurk, geelbleek tot in haar nekje, toch recht en met een natuurlijke dans-beweging, naderbij, terwijl zij nog zacht lacht om Vader’s viezen uitval. Want zij is niet preutsch als Eli’s zusje Jetje, op wie zij een beetje lijkt.
240