wasschen en bijbrengen. Na vijf minuten ruimt zij stil de kamer op; zij is zoet, en spreekt over allerlei alsof het den heelen dag vrede was en zij enkel niet lekker is geweest. En Jankef, na een beetje gezucht te hebben om dat buitenkansje met die vrouw, rekent tevreden na: Finnefenzwanzik gilde aan David, finnefenzwanzik die dat stukkie vrouw daar even versnoept heeft, zal hij maar denken: blijft nog honderd prachtige rijksdaalders en een beetje goed dat onder het water zit maar dat weer kan opgeknapt als het een beetje gedroogd is. Dat het grootste deel van zijn handel nog over was toen de brand kwam, omdat er maar één marktdag was geweest die verregend was; dat het opknappen van de schuur hem ook nog geld zal kosten; dat hij eigenlijk tweehonderd gulden „schóón” aan zijn brandje verloren heeft, dat rekent hij nu niet met zijn kast nog vol geld. Dat dringt pas na een paar weken tot hem door.
Loert niet overal gevaar nu op straat? Het mag dan voor een deel waar zijn wat Heideman bedoelde: ze blijven nou wel van je lijf, ze zien wel dat je je zoo maar niet kisten laat — Heideman wist toch ook niet hoeveel ze wel zouden durven, en dat weet hij nóg niet. Hij weet niets van de schuur. En ze kunnen Matthias wel eens willen wreken, samen. Een onrust meer dan vroeger, op straat, een verlamminkje van het plezier van die kleine vrijheid. En hoe snakt hij naar een beetje veilige rust. Bij Oome David binnen ben je veilig, al is het dan niet zoo dik op de eerste oogenblikken. De beide groote meiden, Bruintje en Raatje, van achttien en negentien jaar, één bruin, één zwart, het wit van de oogen blauwig van bloed-armoede en blank maar geel van huidskleur van die troebelheid hier, zitten te lezen, groeten hem met een nik en een glimlach naar elkaar om den jofelen jongen dien hij haar in het verschiet toeschijnt, en buigen zich weer over haar huur-romans. Onder alle Leefmans’ bij wie nooit een pond huisraad te veel staat, is het nog tante Jetje die van haar dorp een kil-zoeten hang naar waardelooze smukjes heeft meegebracht; in de schaduw van het verval die zich schaamteloos in de kamer heeft opgericht, bij de lappen behang langs de muren, tusschen de geweldige scheuren en gaten in het zeildoek van canapé en stoelen en de ondoordringbaarheid van den spiegel-aanslag, bewaart zij als haar laatste kans op rijkdom nog de kleine afgodsbeelden van haar boersch dwergburgerlijke beschaving:
238