„Raap je de boel op, of niet?”
Zij loert. Plotseling springt zij op hem toe en grijpt zijn arm. En zijn pols, die het geld wil nemen.
„David!” roept Jankef. Hij ziet om.
„Hij is weggegaan!” zegt Eli.
„Hij is weggegaan,” herhaalt Betje grimmend als een kat, „om-dat-ie bang is! omdat-ie wel weet wat ik weet hè? Hier het geld!” probeert zij Jankef te bevelen, „je laat het in de kast liggen!”
„Eli!” roept Jankef bij de kast.
„Ik zeg dat je’t liggen laat, versta je?” Zij worstelt met Jankef. „Je laat het liggen, hij zal het niet hebben, die vuile brandstichter. Die brandstichter!” schreeuwt zij, „die vuile brandstichter!”
„Eli, hier! Ssst! Jij moet op je woorden passen hoor meisje!” „Die brandstichter!”
„Ssst. Vijfentwintig gulden Eli, van Vader, Oome David achterna.”
Een greep naar zijn arm van de vrouw, met een mond die schijnt te willen bijten. Jankef, met de behendigheid waarmee hij een spelletje kan doen, wil het papiertje in de andere hand overbrengen, maar het baat hem niet. Zij grijpt het, hij wil het teruggrijpen. „Hij zal het niet hebben!” piept zij, „en toch zal-ie het niet hebben!” Eer Jankef weer bij haar is, heeft zij in den anderen kamerhoek zijn vijf-en-twintig gulden, onder een grijns die haar heele gezicht samenknijpt en terwijl alles aan haar trilt, in snippers gescheurd.
Jankef staat er verhit maar ook als een kind bevreemd, naar te kijken.
„O, zoo,” hijgt hij, „juistement.” Een kort oogenblik weifelt hij, terwijl hij in zijn verbeelding zijn heerlijke geld ziet minderen.
Dan kijkt hij dreigend naar haar om; zij durft niet meer naderen.
„Eli!”
Eli schiet toe; hij grijpt het biljet, en springt de kamer uit en de straat op. Fijn van Vader, om doodgewoon een nieuw bankbiljet te nemen en hem te laten brengen. Fijn! Dat idiote mensch, dat doet alsof Oome David de brand heeft aangestoken! Hij moet lachen, om haar, en om David; ja, beide zijn zij om te lachen, enkel om te lachen.
Hij laat Jankef en Betje worstelend achter. Jankef drukt de vrouw op een stoel; daar zakt zij flauw ineen. Hij moet haar
237