geen mooi weer spelen van mijn centen hoor! waar ik voor sappel hoor!”
„Weet jij veel,” zegt Jankef. „Sappel jij niet.”
„Jij weet veel! Jij bent veels te laf om te weten. Jij durft niet! Omdat je te laf bent!” Die uittarting roept zij tienmaal achtereen: „Omdat je te laf bent ! Omdat je bang bent voor zijn groote bek!”
„Moet ik soms ook al met’m vechten? Als je strakkies kalm bent, mag je alles zeggen. Nou moet je stil worden.”
„Ik ben niet zoo kallem as jij! Ik ben niet zoo’n kalleme lafbek as jij!” tart zij tegen Jankef’s dreigende fronsing in, die zij wel ziet, maar waartegen zij haar golvende lijfsgisting niet meer kan temperen.
„Bet hou op! Hou óp zeg ik je!”
„Mesjogge mensch!” snauwt David spottend; hij verlangt naar het einde, en naar zijn bankje van vijfentwintig.
„En toch zal ik het zeggen.”
„Nou zeg het,” grapt David.
„Dat zou jij wel willen hè smeerlap! Maar ik zal wachten!” roept zij met blauwe lippen die vochtig zijn geworden, „ik zal wachten tot alle menschen het hooren kunnen, tot de ’eele wereld het hooren kan hoor! hoor! de heele stad, de heele wereld die zal het weten hoor!”
„Ssst! Höu toch je mond jij.” David wordt banger.
„Bet!”
Het baat niet. Zij krijscht door. En om een voorbeeld te geven van wat zij alzoo zal doen als Jankef David van het allerheiligste zal geven dat zij kent, grijpt zij met haar kleine, trillende hand het tafelkleed, en sleurt het met het kopjesblad van de tafel op den grond.
„Hier! Hier!” schreeuwt zij, „daar! as je’m een cent durft te geven!”
Jankef en Eli kijken ontzet naar het kwakje kopjes en schoteltjes dat in scherven op den vloer bij het tafelkleed ligt. Eli heeft geen moeite meer met zijn keus tusschen haar en David. Hij vindt niet dat zij heelemaal ongelijk heeft in haar verzet, maar hij gelooft dat haar doel alleen maar de lust is om de baas te lijken. En het is allemaal zoo vies van ongevoeligheid. „Bah!” zegt Jankef, „wat kun je toch soms een minne vrouw zijn! En nou nog eenmaal, Bet: ik doe het toch, begrijp je? En mag ik nou vriendelijk vragen het kleed weer op te rapen? De koppies zijn kapot: dat geld is weggegooid.” Hij staat op en gaat kalm naar de linnenkast.
236