Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



zoo zit David tegenover zijn ouderen broer Jankef: volhardend, sluw op het doel gericht, en toch al bekend met de macht in de wereld die achter hem staat om hem toe te juichen; blind van verachting jegens het verder gevorderde, en blind voor den kolossalen voorsprong van den misbruikte: de vreugde van die vaderlijke rechtvaardigheid, gevierd met het laten vallen van een waardeloos ding, en die, onaantastbaar, als een lied door de wereld heen zingt. Want Jankef’s plezier tot afdragen is onder zijn spel van tegenstand al begonnen: wat baat het werkelijke verzet tegen hem die nog zooveel armer is dan hij? Zoover is Jankef nog niet, dat hij ook tegen den zwakkere al iets te verdedigen heeft. David is arm. En hij? Hij heeft een kast vol geld, en zijn kansen en zijn vermogens om rijk te worden. Altijd is het geld vlak bij hem. En eens komt het nog wel. Heeft David geen strop aan zijn brand? Heeft hij hem niet eenmaal die berging toegestaan? Maar vooral: liggen er niet driehonderd gulden in de kast, en moet men daar dan geen extra pleziertje van hebben: dat pleziertje van daar bij David thuis een paar tientjes neer te leggen, waar geen eten is? Dat is een wond helen, die bloedt. En dat is léven.

„Een prachtig mooi bankje van vijfentwintig gulden kun je van mij krijgen voor je verbrande sgoure. En ook geen cent meer....”

Hij kan niet uitspreken; hij kan Eli ook niet naar zijn onderhoud op school vragen. Want naast hem begint een stem met dreigende doordringendheid te piepen. Betje heeft zwijgend, giftig van woede, dit oogenblik voorzien en afgewacht. En nu slaat, eerst zacht, maar met een sluipende zachtheid, en lang-, zaam de heele kamer vullend en het gesprek overstroomend, de hooge dunne heete vloed van haar op het geld je gezette levenskracht over Jankef uit. Onrechtmatig vindt zij het, en in beschaving is David haar gelijke; zij houdt hem met haar nagels weg van haar buit waarvoor zij ploetert, om haar innerlijke armoede en haar schrale vormloosheid er eenmaal mee te vergulden.

„Heeregod!” piept zij, en vooral wat Jankef nu aan haar ziet, verschrikt hem met bezorgdheid. Want in haar groenachtig bleeke gezicht trillen haar vochtige lippen; haar handen beven aan haar armen, en haar zwangere buik schokt, terwijl zij angstig grijnst, alsof zij al weet dat zij die spanning van haar eenzijdigen hartstocht niet kan dragen: „Je bent nog gekker dan ik gedacht heb,” roept zij woordelijk David’s gedachten

234
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.