te vergeven, ja, met geschenken uit te deelen: het kan lijen! En waar hij zooveel vijandschap en wegschuiving heeft ontmoet; hoe kan hij op al die levende plekken blijvend zijn woede zetten?
Zoo, onverwoord, zijn Eli’s gedachten als hij Oome David thuis bij Betje en Vader vindt. Toch groet hij David niet vol, en geeft hem geen vriendelijken blik. Dat voelt hij als stevigheid van orde: niet al te slap zijn. Hij heeft geleerd; hij heeft niet voor niets geleden vandaag. Want Vader is nu toch maar voor de jongens de opkooper van gestolen goed, en hij, hij is de zoon van dien opkooper. En dat is smerig van David, die van de jongens daarvoor niet de minste last heeft te dulden. Al verzet zich Eli honend tegen die afkeuring door de jongens.
Maar begrijpt David er iets van? Als hij het begrijpt, hoe kan hij dan nu zoo kalm verder gaan?
„Ik had gedacht,” smoest David, „dat je om de waarheid te zeggen, een klein stukkie.... vergoeding zou geven. Twintig kisten sigaren zoowaar als ik leef,” liegt hij, „vijfentwintig gulden moet ik de sjikkere hond der nog voor betalen. Behalve die paar stoelen en tafels die toch ook op zijn allerminst een paar rijksdaalders opbrengen; dan zeg ik toch zeker niet veel. Ik had gedacht dat je mijn nou niet alléén alle schade zou laten lijen, nou je toch de centen dervoor gekregen hebt. Ik kan toch zeker ook niet helpen dat die vuile smeerlappies van sjkootsem jouw boel en mijn boel hebben laten versarrefen? Zeker vijftig gulden had ik toch zeker strakkies dervoor gekregen als ik ze in Amsterdam of Botterdam bij de goeie kenners had verkocht? Het fijnste van het fijnste.”
Jankef schiet in een goedigen lach, om dat lef. Veertig gulden vraagt David van de driehonderd die Jankef met moeite heeft losgekregen.
„Veertig gulden,” knikt Jankef, „dat is niet zoo heel erg weinig.”
„Is dat dan veel?” En David denkt: hebben doe ik je al; ding jij maar af, dan krijg ik toch een paar centen van jou in mijn jatten. Vandaag toch niks anders te doen; Ozer en Herman hebben gezegd: hij geeft niet; zoodra het op geven ankomt, louloone, hij ook niet, de Paus. En nou? hij komt over de brug! hij dokt af! hij is nog véél mesjoggener als men denkt. „Véél, wat is véél?” lacht Jankef. „Honderdduizend daalders, dat is veel. Maar veertig gulden?” Hij houdt zich al heel stevig, Jankef, met dien spot; maar David’s greep stoot daar al doorheen. Als een slimme wilde tegenover den zachten mensch,
233