En nu heeft hy, die sleutel, hem daar straks voor die Born gezet. En toen voor de Vaars. En nu hier. Uit de school gedreven, voor goed, en naar het huis toe. Naar het eigene terug.
In zijn zak omsluit hij het groote ding. Het is een ding van hèm geworden. Is het te begrijpen?: een lief ding. Een ding van het verleden. Alsof het alles was, van alle zolders waar hij rondgekropen heeft, in éénen. Zoo iets innerlijks van hemzelf, een heerlijke oude sleutel. Waarom weet hij nog niet precies; maar hij hoort bij de kostbaarste geheime schatten van het verleden.
231