Kuyle, den jongen van den militairen muziek-chef die aan het meisje van pleizier is blijven hangen:
„Je hadt’m direct een flinke trap moete geve,” draait hij vol goede bedoeling klagelijk af, „die gemeene vent.”
Eli antwoordt niet dan met het haastige geschenk van een knik.
Het zijn de smaad, het onrecht van de verblindheden waarin geen enkele poging ondernomen wordt om hem te kennen; het is die diepe gekeerdheid tegen hem, die hem blijft drukken. Ook hier op het plein, en langs het binnenvaartje, terwijl de buitenlucht hem tot ruimer ademen dwingt en de lichamelijke gespannenheid verlicht, de hitte in zijn hoofd schijnt te doorwaaien, zijn oogen bet, en mild langs zijn gezichtshuid strijkt, die als hout was aan zijn hoofd, ginds. Maar hij voelt zich toch wat opknappen, hier buiten de school en den blik van Born: wat donder, geen politie! Dat is nu toch een bevrijding na die angst van vandaag. En dan maakt hij zich even voorloopig de werkelijkheid bewust van die aanzegging, die straf: niet meer hier op school. Lijkt dat op dit oogenblik wel zoo verschrikkelijk? Niet meer bij die pestjonges die het leven zoo zwaar maken hier, dat kan hij toch niet als zoo’n verlies voelen. Terwijl zijn oogen schijnen open te gaan onder de koelte, denkt hij nu ook pas weer aan de wond van zijn achterhoofd: heeft er niet eens van gesproken: heelemaal vergeten. Thuis gaat het ze niet aan; straks wel voorzichtig zonder dat iemand het merkt, zijn kop afwasschen; de haren kleven in bloederigheid. Maar wat beteekent het ook bij dat alles? En tot Born had-ie toch niks kunnen zeggen. „Geen woord meer!” Eigenlijk een vuile gek, met al die kapsoones. „Geen woord meer!” als je nog niet eens een woord gezegd hebt.
Matthias een glazen oog. Dat weet je niet hoe dat is. Het lijkt lang zoo erg niet als dat vreeselijke oogenblik dat het ongeluk gebeurt.
Onbegrijpelijk dat die sleutel dat deed, uit zijn hand. Alsof hij iets van dat ontzettende gewild heeft. En hij doet het toch, die sleutel. Onbegrijpelijk, dat het oogenblik niet meer teruggezet kan worden.
Onbegrijpelijk: die sleutel die dat allemaal gedaan heeft, toen hij hem losliet, en niet wou loslaten, en toch maar losliet, om-dat-ie toch iéts moest doen. Maar hem toch niet in dat oog wou gooien.
230