„Het oog schijnt moeilijk te redden t^ zijn; Matthias,” nog zachter alsof hij het zonder klanken uit de verte moet overgooien, „zal hoogstwaarschijnlijk een oog moeten missen.” Enkel de gewaarwording, bij Eli, van zware vormlooze luchtlichamen die in hem neerzinken; en harde, scherpe benauwenis. En nu komt er geluid uit den vader naar hem; een stemgeluid dat niet on-zacht is, en het gezicht, het gezicht is goed. Alleen de breed-open mond en de harde glinster-kern in de oogen maken hem voor den jongen tot een monster van wreedheid. „Ik zal (blik naar Eli’s schoenen en weer omhoog) om je leeftijd de politie er buiten laten.... Je wordt natuurlijk van de school verwijderd. En voor de rest....”
Hij zwijgt, en Eli trilt op zijn beenen om die bittere woede, die met de kracht van een heele wereld naar hem steekt.
„Ik heb....”
„Geen woord meer!”
Nu kan Eli inderdaad geen geluid meer geven. Zijn tanden slaan tegen elkaar. Hij heeft onder dat trillen van heel zijn wezen, nog maar één licht door-latende kier in zijn gevoel van een dichtgeklemd leven: geen politie, geen gevangenis! En een vaag besef van de onmacht van de Vaars, dien hij ook met geen poging tot een geluid durft toespreken, al heeft hij ook nog gezien dat de Vaars stil-afkeurend zijn blik naar Born heeft geheven. Hij wil zich, met een gezicht waaruit al het leven naar buiten schijnt gejaagd, dan maar omkeeren om zich uit deze onhoudbaar zware lucht-persing te redden. Daar zegt de Vaars vriendelijk:
„Wacht maar even in de gang ginds.”
Eli knikt, alsof het laatste van die woorden zijn hoofd heen en weer doet bewegen, en verlaat als met een verstijfd, rondgebogen lichaam het kamertje. En drie menschelijke gezichten scheren langs zijn verbeelding; hij onthoudt ze als de bezetting, op dat oogenblik, van die enge ruimte met de vijandschap tegen zijn leven daar waar hij zich bij hen gewaagd heeft: Matthias’ vader aan den eenen kant; aan den anderen twee portretten in breede lijsten: een van de Koningin, een van den Burgemeester; twee gezichten die hij zich met goede geneigdheid bezield heeft gedacht, en die hier voor zijn verbeelding hun wil tegen hem aansloten op dien van Born. Zij zijn voor hem eensgezind met Born; hij gelooft dat Born onder hun bescherming zoo deed. De Vaars vindt hij ook schuldig; hij merkt wel dat Born hooger geplaatst is dan de Vaars; de Vaars moet gehoorzamen, maar het vreemde, bit-
228