zijn, om alle verblinde vijanden met driestheid zijn uitdaging in de oogen te drillen.
Nochtans gaat Eli bezwaard: daar in het centrum van die wereld heeft Jankef’s woord geen direkte steun-kracht; zij is te machtig daarvoor, en Jankef kent het verband niet precies tusschen Eli en die wereld; Jankef moet Eli’s verbondenheid met haar, zijn belang bij haar goedgezindheid, vanuit zijn onbewuste, blije, vrije, maar verre minachting wel onderschatten.
Een niet al te groote, stevig gebouwde man, met een vol mannengezicht, een blonde, eenvoudige snor en blond haar dat uit een vriendelijke, bijna kokette scheiding een eindje over zijn voorhoofd ligt; dat is Matthias’ vader. Hij lijkt Eli niet zoo kwaad; zijn mond staat wel wat bitter neer, en zijn grijze oogen hebben een glinsterend kerntje dat hard is. Eli heeft hem wel meer gezien; zijn aanwezigheid schokt hem, maar dat is toch alleen maar omdat hij weet waarvoor hij hier staat. Naast hem ligt een grijs slap hoedje. Het is een hoedje zooals die schilder draagt, die hier zoo benijdenswaardig met zijn schilderkist, zijn opvouwbaren ezel en stoeltje rondloopt om buiten de stad te gaan zitten schilderen. Je zou toch denken dat deze mensch niet zoo kwaad tegen hem kan zijn. Hij weet opeens dat alles: dat de schilder al eens buiten een praatje met hem heeft gemaakt en hem ook sindsdien altijd vriendelijk en belangstellend groet: in den verdedigingsnood flitst het verband tusschen die twee: den schilder en Matthias’ Vader, en tracht hem een bemoediging toe te schuiven. Maar het helpt niet, want de stand van Peter Born tegen hem dwarrelt hem louter afgewendheid, koudheid, on-aantastbare vijandigheid en ja, lust tot verderf toe. En die blik, die van terzij schuin naar hem omlaag duikt, dan vanaf zijn voeten langs hem omhoog kruipt en weer wegzwenkt, is als een afschuwelijk instrument, dat benauwt en uitholt waar het raakt, en hem als met ont-zenuwing inge-ent laat staan.
De Vaars staat er nu somber bij.
„Meneer is de vader van Matthias,” licht hij gelaten tot Eli in. De vader van Matthias kijkt vóór zich; zijn oogen, van terzij bezien, schijnen zich te versmallen, alsof hij moeite heeft een kracht te onderdrukken, die hem vult en hem ontspuiten wil. „Het is niet erg gelukkig verloopen,” zegt Heideman weer tot Eli; hij ziet naar den grond en verzacht zijn stem met moeite.
227