Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



tot een boeiende uitdrijvende jacht tegen hem. En wat hij ook voor zichzelf daarvan niet kan uitspreken, dat is: dat in het ontkennen van dien afstand, den jongens en hun ouders het felst de ontkenning van hun verdere maatschappelijke bereiking prikkelt: de ontkenning, het volkomen gemis aan waar-deering voor de dingen van huis, geld en aanzien die zij met zooveel inspanning boven Eli en de zijnen veroverd hebben. Het is wonderlijk zooals Vader dat begrijpt van dat gooien. Daar moet je bij wegduiken om niet te lachen van innerlijk plezier. Maar lachen kan hij hier nu niet, en sentimentaliteit wil hij ook niet. Hij moet dus maar vertrouwen dat Vader zijn waardeering daarvoor begrijpt.

„’t Is natuurlijk een pest voor je,” zegt Jankef zacht voor zich heen, „dat spreekt vanzelf. Maar verder.... voor politie of zoo of rechtzaken hoef je niet bang te wezen; ik zeg niet dat je’t bent, maar het kon mogelijk wezen, daar is hier geen sprake van, in het geheel niet. Want ongelukken tusschen jonges op school dat zijn geen zaken waar rechter of politie bij te pas komt. Als je dat maar weet. En verder valt er niet over te praten, dat wordt niet van je verlangd. Het sjykets (de jongen) heeft zijn verdiende loon. Men gunt geen mensch gunt men vanzelf half blind te wezen, daarom niet, het is en blijft erg voor het sjalf en niet zoo’n beetje erg. Ik ben geen soortement van Jood die daarom kan dansen als iemand een oog wordt ingegooid. Maar als der gepraat wordt van verdienen, zie: verdiend hééft-ie het. Want zooveel zie ik wel: aangehaald heeft-ie het zich wel zoo erg alsof-ie voor mijn idee heeft gezegd: „Och Leefmans wil je me asjeblieft dat oog es even ingooien, want ik heb der ééntje te veel.” Ja, zoo is bet voor mijn. En verder moeten we maar afwachten, dat is alles wat ik der van zeggen kan.”

Betje van Gelderen heeft al dien tijd gezwegen en af en toe geknikt. Nu zegt zij:

„Je kunt je eigen niet alles laten doen van die pestjonges. Maar had-ie niet de meester kennen roepen? Niet?” Zij schudt volgzaam haar hoofd. „Ik wil der niks van zeggen dat-ie ’t gedaan heeft, maar ’t is maar voor ’m zélf, omdat-ie toch de schuld dervan krijgt. Want’y heeft ’t toch altoozen gedaan.” Jankef: „Geeft dat allemaal?”

Zij nikt weer geschrokken; zij weet wel dat zij niet waardig is hier mee te spreken, maar zij durft de erkenning van dien toestand, als een diepe straf, niet aan. Dat weet ieder van

225
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.