Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



Dat brengt, nadat hij even stom op een stoel bij de bedstee heeft gezeten, even een vriendelijkheidsgevoel: dat uittrekken van het pak van John van der Wal en het aantrekken van zijn eigen. Alles uit de zakken overbrengen. En de sleutel? Hij staart erop: het roestige ding heeft iets van iemand die dood geweest of gewaand is (of met den dood verbinding heeft gehad) en die weer bij hem is terug gekeerd. Hij moet hem toch weer bij zich steken: kan naar gevraagd worden, door de Vaars of zoo. Want hij zal toch naar school moeten gaan, ook als hij niet daarheen geroepen wordt; hij zal toch moeten spreken, en het is toch beter dat hij uit eigen beweging gaat. Hoe vreeselijk het is, zich daar te vertoonen; hij wil toch de Vaars zien; hij kan toch ook niet zoo maar wegblijven. Gelukkig hoort hij tante Fie heengaan; zij verwacht een twist, en zij wil de onbescheiden toehoorster niet zijn. Maar hij durft het nog niet aan, van het ongeluk te vertellen; met trillende lippen op een stoel neergevallen, spuit hij een bittere scheld-bui naar Jankef en Betje, om hun bedrog, met het pak dat hij voor hen neersmijt.

„Wat is dat allemaal? van een broer van een meisje uit je klas? wel potverdomme. En is dat zoo krimmeneel? In alle geval: kunnen wij dat weten? Geweten hebben we’t niet, nou. Dat is alles wat ik er van zeggen kan. Het is een ongelukkige tref.”

Ontwapend zit hij, tegen hen. Want wat heteekent nog hun schuld tegenover de zijne, zeker als zij zoo gering wordt als hij nu wel moet zien, hier in de kamer? Niet alleen dat zij het niet wisten, dat Louise, Louise, „dat meisje”, bij hem in de klas zit, maar vooral omdat zijn beschuldiging machteloos staat tegenover de armoede van het huis, die het dragen van kleeren uit den handel hier voor allen tot gewoontewet heeft gemaakt. Wat heteekent die kleine schuld bij zijn daad, die nu de heele wereld-gerechtigheid buiten dit huis tegen hem heeft opgejaagd? En hij weet er niets anders over te zeggen dan die mokkende woorden, voor Jankef geheimzinnig maar ontstellend:

„Ik laat me niet meer slaan hoor.”

Met groote oogen zegt Jankef:

„Wie praat er hier van slaan? Ik begrijp heelendal niet waar je’t over hebt, jonge.”

„Jij hebt me toch zeker ook wel’s gemeen geslagen?” Als een kind zoo kleintjes mokt hij het er uit.

221

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.