H:
oe komt het dat voor Eli, de gevolgen, de onmiddellijke en middellijke straf, niet zoo wreed lijken als het eigen leedgevoel om de daad? Er is maar één straf die hij vreest: de gevangenis. Die heeft hij, behalve . het bijwonen van het verloop der verwonding, in een zwerf van enkele uren buiten de stad ontvlucht, en daarvoor blijft hij beangst tot de volle zekerheid der veiligheid komt. Op het meelij met Matthias bij het zien van diens verwonding en het ineenzinken van diens wil, volgt in hem dadelijk de angst voor de straf: de wereld moet nu vijandig zijn; zij zal zooveel pijn en schending willen vergelden; al haar vriendelijkheid, haar duldende gezindheid, sluit zich voor hem, alsof het licht zelf tusschen en boven de huizengevels zich van hem verwijdert en niet meer voor hem schijnen wil. In die duisternis heeft hij rondgeloopen; de vormen van alle dingen too-nen hun leven niet meer duidelijk aan zijn waarneming, en zij zijn heel en al zonder stem geraakt; de afstanden wijken uit zijn bewustzijn, en de weg schijnt overal bemoeilijkend te stijgen. Aan de bewoonde wegen heffen zich de huizen bevreemdend en ontstellend boven hun gekende plan uit; het is alsof een gebouw in het front van een laan-einde, op een terp gebouwd staat en vooruit schiet. De oogen half gesloten van verslagenheid, heeft hij zich hangend, tegen het hek van een stil kerkhofje geleund, te verontrust om te zitten, te gejaagd en bedreigd om dat loopen door die vijandige wereld te vervolgen, waar boompluimen zoowel als huizen-nokken tegen hem staan, als monster-groote stierenkoppen, tot den grom-menden stoot gereed. Die beklemming duurt tot hij het huis weer heeft opgezocht, en de eerste woorden waarmee hij ze ontlaadt zijn andere dan die hij zich gedacht heeft:
„Ik laat me niet meer slaan hoor!”
Hij spreekt ze in zulk een doffe bezwaardheid uit, dat Jankef hem onderzoekend aankijkt en rondziet naar Betje, en naar Fie die bij de tafel staat. Niemand kan den zin van dien uitval begrijpen, en hij gaat naar boven: het eerste dat hij van zich wil gooien is het pak.
„Der is wat gebeurd Jankef,” hoort hij Fie zeggen, „dat begrijp je toch wel. Ga naar ’m toe, dan weet je’t.”
„Hij zal best beneden komen; als der wat is, zal-ie’t toch wel moeten vertellen.”
220