Peter’s kalm-blijvende stem krijgt haar uitzwellenden nadruk van felheid:
„Maar ik ben er zeker van, dat verreweg het meerendeel van de ouders van Uw leerlingen het met my eens zijn. (De Vaars knikt met minachtenden blik om dien zet.) Dat zult U toch wel inzien.”
Heideman richt zich op en laat zijn lange armen langs zijn lijf vallen. Van terzijde naar Born:
„En zoudt U niet de jonge zelf nog eens moeten hooren....” „Och.... het is niet van belang. En ik kan niet zeggen dat ik nou bepaald behoefte heb aan de kennismaking. Maar als U er op staat....”
„Als U de moeite nog wilt doen....”
Born zet zich hard, tegen dien stillen spot om den twijfel aan de noodzaak van een verhoor, dat dan een eerste eisch van rechtvaardigheid heet. Hij heeft lak aan de rechtvaardigheid van het Hoofd, die hij zieligheid, angst, zwakheid van uitstel-lust vindt. Hij wil een daad tegen een feit zetten.
„Ik zal een boodschap naar zijn huis sturen,” zegt de Vaars gelaten.
„O, is hij niet op school?”
„Nee, hij was hier, maar ik heb hem terug laten gaan.”
„O.”„Ja dat wil zeggen, ik vond hem zoo overstuur, dat ik hem vrijgesteld heb. Hij is nogal een gevoelige natuur. Had het zich blijkbaar erg aangetrokken.”
Born glimlacht fijntjes om die „gevoeligheid” na de uitbarsting van ziekelijke misdadigheid. De Vaars’ verdediging maakt hem wee van afkeer.
„Ik kom dan straks terug,” knikt hij.
„U gaat naar Uw jonge? Ik mag lijden dat U een goed bericht meebrengt.”
Als ’s avonds na het korte gesprek met Eli de beslissing omtrent hem is gesteld, wil Peter den schuurtjes-brand niet langer voor Anna verzwijgen.
„O, jakkes, Pee! En wist die jodenjonge dat?”
„Ik denk dat-ie ’t begreep; hij begreep tenminste wel dat ze in ’t schuurtje geweest waren. Maar het was in elk geval per ongeluk gebeurd, als zij het gedaan hebben.”
„Maar Pee, wat moesten de jongens dan in dat schuurtje doen?”
„Ja, ze wouen daar blijkbaar op hun manier ’s een onderzoek
217