stander dadelijk een ongeluk had toegebracht, zonder dat er nu sprake zou zijn van een onbedoeld incident.
Van de schuur wordt door geen van de jongens gesproken. Dadelijk nadat Matthias werd weggebracht, hebben zij de koppen bij elkaar gestoken en in hun angst afgesproken, het verzwijgen vast te houden. En daar Peter Born tot Matthias gezegd heeft: „Mondje dicht dan maar hoor! jij, en de anderen ook,” is er niemand die er van kikt.
„Het is jammer,” zegt de Vaars tot Born, „ik heb hier nog nooit zooiets verdrietigs beleefd. We moeten maar vurig hopen dat het nog herstelbaar zal zijn. De kans is er toch, goddank.” Heideman hoopt met die woorden den boozen wraakgeest die Eli en ook hem bedreigt, nog af te leiden. Maar Born zet zijn kracht in, tegen een taktiek die hem een lafheid dunkt.
„En dacht U dus geen enkele verdere maatregel te nemen?” „Welke maatregel bedoelt U....’” vraagt de Vaars somber.
„Ik ben het niet met U eens dat hier niets anders te doen valt dan hopen op een goeie afloop van den toestand van het slachtoffer. Ik zou me daarmee maatschappelijk niet verantwoord vinden.”
„Hoe bedoelt U dat....”
„Wel, U zult toch zeker zoo’n leerling niet langer op de school toelaten? Ik mag wel zeggen.... hè.... op Uw leerlingen loslaten?”
„Maar,” zegt de Vaars, half in verzet, half verbaasd, met zyn langen kop opgeheven naar Born, „ik kan geen recht vinden om hem van de school te verwijderen!”
Born kalm:
„Wij verschillen daarin wat onze sociale moraal betreft; ik kan geen recht vinden om zoo iemand die blijkbaar een dégénéré is, op die plaats te handhaven. Ik zou U daar niet in mogen steunen. Ik ben er zeker van dat-ie nooit op Uw school had behooren te worden toegelaten. Maar om nu nog de anderen aan hetzelfde gevaar bloot te stellen, dat lijkt me, eerlijk gezegd, de toegeeflijkheid voor het ziekelijke wel wat ver gedreven. Mij dunkt het is nu wel genoeg.”
De Vaars slaat de oogen neer, in een wapening, en dan weer op: „Het is de beste leerling van zijn klas. Dat zou beteekenen zijn loopbaan totaal vernietigen.”
„Nou,” zegt Born gemoedelijk, „onder ons gezegd: die Jodenstreberei die kan-ie ergens anders ook nog wel plaatsen.” Misprijzend de blik van de Vaars langs Born’s gezicht:
„Ik zou het niet op mijn verantwoording durven nemen.”
216