den; de Vaars laat Otje en van der Kuyle komen. En de leeraren. Gallé verdedigt Eli hartelijk.
„De jonge wordt vreeselijk geplaagd,” zegt hij met pijnlijk be-aderd voorhoofd. Och, dat is een verschrikkelijk ongeluk! maar het is en blijft toch zeker een ongeluk? Het is anders een aardige, beste jonge. En,” hij slikt achter adem, fronsend, vol ver-zet-aandrang: „héél intelligent!”
Hij moet weer naar de klas; hij meent Eli krachtigen, beslissenden steun te hebben gegeven. Busselman en van Heyns-bergen houden zich neutraal. „Het is een béste jonge,” declameert Busselman, „maar hij komt uit een heel eigenaardig milieu!”
„Zeer eigenaardig,” onderbreekt Born.
„En hij is blijkbaar erg onbeheerscht geweest!”
De Uil vraagt of hij er zich buiten mag houden. „Naar mijn idee,” zegt hij tot de Vaars, „is het zéér moeilijk te beoordeele. Intussche.... dat jongmensch schijnt dan geen katje om zonder handschoene aan te pakke. Tjonge. Bonjour menéér!” groet hij nu pas met een wijden hoedzwaai opzij naar Born. „Het is hetreurenswaardig als het letsel blijvend zou blijke.... God-bewaartons, dat is een gevaarlijk lichaamsdeel, een oog. Ik hoop in elk geval voor U en Uw zoon dat Godmag geve dat het nog goed mag afloope. Bonjour meneer!” zegt hij tegen zijn gewoonte-recht tot zijn hoogeren collega, en verdwijnt dan, na nog een sierlijken zij-zwaai met zijn hoedje.
Hoe vast het voor de Vaars mag staan dat Eli getergd is en in zijn opwinding een ongelukkigen gooi deed, voor Born is de uitslag van het verhoor der jongens en meisjes (want Louise en Mientje worden ook gehaald en zeggen schuchter een paar onzijdige, onmachtige, bijna onverschillig klinkende woorden) dat Eli een natuurlijke en geoorloofde plagerij door Matthias en de zijnen, en bovendien een ridderlijken afweer van zijn ongepaste houding tegen het meisje, niet heeft kunnen verdragen. Dat hij toen den eersten stomp heeft toegebracht omdat Matthias hem verbood, Louise nog verder lastig te vallen; dat Matthias hem op dien stomp achterover wierp en dat Eli toen een aanval van abnormale razernij kreeg, waarin hij zijn gevaarlijkheid voor goed heeft bewezen. Dat twee jongens hem vóór het gooien van den sleutel om het lijf grepen, toont duidelijk genoeg dat hij op de leerlingen dadelijk den indruk maakte van een aanval die den hystericus teekent of den misdadige, of althans een onduldbaar aangelegde natuur, die, als hij een feller wapen tot zijn beschikking had gehad, zijn tegen-
215