„Je kent de Joden niet, jij.” En zooals zij dan daarop, dof voor zich heen, liet volgen: „....en.... alle Joden zijn niet gelijk....” Zooals ze dan de oogen weer opsloeg naar de zijne: je mag een Germaan zijn en graag een zuivere willen zijn; je bent geen Batavier met een rauwe koe-huid om je mieter, en zelfs zoo’n kerel zou voor een jonge vrouw van een andere stam niet op de vlucht slaan, uit angst dat-ie zijn ras zou te gronde richten met haar een zoen te geven. Het trof. Verdikkeme, wat ben je gauw je huis, je „vrouw en kind” kwijt op zoo’n oogen-blik, naast zoo’n jonge nieuwheid. En dat is pleizierig te bedenken, dat dat weer niets anders is dan je volkomen onderworpenheid aan den plicht die je is opgelegd: moet je zooiets beleven, je moet je er ook heelemaal voor openzetten: vrouw en kind wijken naar den achtergrond. Wat bliksem, daarmee zijn ze nog niet vergeten en verraden.
En daar gebeurt nu dat verlies dat geen hunner ooit verwachten kan; en beiden zijn, in dien lijfelijken slag, alles van zichzelf voor dit oogenblik vergeten. Daar slaat, als een bom, de zware sleutel van Jankef Leefmans’ oude schuurtje het gave glas van Matthias’ bril tot vernietigende scherven. En achter zijn brooze verscheurde oogweefsel, terwijl hij kronkelt van pijnen, sterft het licht. Anna weet dat zij een wilden jongen heeft; zij is wel eens bang geweest dat het een beetje mis met hem zou loopen; Peter vertelde haar dat hij wel wat gevaarlijke kwajongensstreken uithaalde, maar dat ze nog goed waren afgeloopen. En nu moet het zoo zijn dat zij van vrouw Lampe thuiskomt, vol van haar vrees voor een breuk tusschen haar en Peter, en daar wacht haar bij huis Heideman, het Hoofd van Matthias’ school op, om haar voorzichtig van het ongeluk van haar jongen te vertellen. Geen ongeluk door eigen wildheid; maar door de schuld van zoo’n afschuwelijk kind voor zijn leven halfblind naar het ziekenhuis gebracht.
„Wie heeft dat dan gedaan? Wie? Leefmans? Wie wat Leefmans! Dat jodenjoggie? Heeft die?” De ontzetting, tot huilens toe, waar Peter, van school weggehaald, in het ziekenhuis bij stond: „Is dat die Jodenjonge? Ogod,” huilde Anna, „wat een akelige menschen zijn dat toch ook! Wat moeten die er dan toch ook zijn! Dat ze zooiets dan ook op school laten!” Zoo heeft zij buiten, in tranen, gestampvoet, nadat zij hun jongen aan de eerste rust hadden moeten overlaten.
„Maar dat is dan nou ook wel afgeloopen. Met die jodenjonge,” heeft Peter wit gezegd.
213