lust komt in je op om als een kwaje meid tegen je ledikant te schoppen.
Peter Born is niet ontevredener met zijn vrouw dan honderdduizend andere mannen van zijn slag met de hunne. Hij heeft naar zijn bewustzijn, in een maatschappelijke deugdzaamheid, heel jong een flinke volgzame vrouw getrouwd, bij wie hij een krachtig verband, een evenwichtige voortzetting van het zijne gezocht heeft: een kleine levende onderscheidenheid van zijn soort in de massa. Een vrouwT met ruigheden: in haar flinken, naar het zinnelijke toe geteekenden, maar niet groven wipneus, in haar breeden, onverfijnden mond, haar niet al te sappige, maar dan ook niet pervers lokkende of om stage vernieuwing van bemoeiing vragende schonken. In de lengte gebouwd, flink, zonder aanmatiging, zonder tyrannie, zonder ziekelijkheid: de koele waarheid voor hem van het Germaan-sche ras. Hij heeft er zich mee tevreden gesteld, en zijn onvoldaanheid verwerkt in zijn zelftucht, ze uit laten loopen in de energie voor zijn massa’s onderwijs-uren, ze gekneed in de taaiheid voor zijn studie, en ze opgenomen in het scherpste vleugje eigenste bezigheid: zijn gedichten. Hij schrijft af en toe wat verzen, uit een ruig natuurgevoel en een heidensche aarde-vereering, in een vorm op de ouden ge-inspireerd, in een strenge liefde voor de koelheid jegens den binnenbouw van het leven zooals zijn tijd dien opriep; als verzet tegen de gevoeligheid die het openleggen van dien binnenbouw moest wekken, en tegen haar misvatting: de sentimentaliteit. Om hun jongen de ruimte tot volle krachtsontwikkeling te laten, hebben zij er geen kinderen bij gekocht, en Matthias heeft van Peter al diens enge vaderlijkheid genoten; hij moet een elastische kracht worden, een zware puit die waggelend de wereld in zal schieten, om hun wetten van de gezonde vlakheid in den geprikkelden chaos van zijn tijd te zetten. Peter Born is matig; hij drinkt zijn glas bier in de sociëteit; hij schiet goed op met de collega’s die niet al te banaal en geen driftige hoogvliegers zijn; daartusschen en daarbuiten bewaart hij, onder de warmte van de erkendheid en een goed materieel leven, een reepje stilte voor de saamtrekking en slijping der vermogens tot zijn bescheiden dichterschap: de eigenlijke kleur van zijn leven. In zijn houding tot de menschen stelt hij het beelden van zijn vage, bitse gevoelens en van zijn hardnekkige vorm-gedachten toch als rechtsgrond van al zijn meenen en handelen. Zoo heeft hij tot nog toe geleefd: stevig glijdend over de schotsen van de ja-
211