alle aandacht in de liefde moet van hèm komen, en dan zou dit beteekenen dat je nu een ouwe vrouw was. Heb je dan toch niet goed geleefd? Is er dan toch meer leelijkheid achter dat vage gevoel van lakschheid in het leven? dat je immers nooit hebt kunnen overwinnen zonder heel anders te moeten zijn, zonder in een egoïstisch onmaatschappelijk geluk je heil te zoeken? Je hebt het niet gekund; je hebt je plichten voor heilig gehouden; je bent toch niet maar raak in de zon gaan liggen, aan de zee of in het bosch, zonder je om de wetten van de wereld te bekommeren. Je hebt geen enkele wildheid begaan, die immers bij ieder mensch opkomt; je hebt de verlangens van je meisjesjaren maar bij korte vleugjes beleefd en dan nog maar in een schijn, waarmee je je opzettelijk tevreden hebt gesteld; en dat heeft Peter zoo gewild, dat heeft hem juist tot je gebracht, en de belooning zou toch die overeenkomst zijn van zijn blijvende attentie! En nu komt, bij die rimpels, zijn houding je een afschuwelijke boodschap aandragen, een hoon, een duivelsche bestraffing, alsof je zeventien jaar lang jezelf maar wat hebt in-gelogen maar niet geleefd hebt, en nu oud bent. Twintig jaar ouder dan je man: want naar Peter kijken de jonge meisjes; naar haar de mannen van hoven de vijftig die niet veel meer te verwachten hebben. Welke gekkin praat er openlijk van tot haar man? Verbergen is alles wat je kunt, dat moet je wel. Den laatsten keer dat zij hem tot zich wilde brengen, omdat hij koelweg: „Zoo, knappe meid,” had gezegd, en zij antwoordde: „Ja ik ben knap, niet? Ik ben een schoonheid?” Bót ving ze. Hij maakte een grapje: er was een moderne Dadaïstische Duitsche dichter, zei hij, zoo’n gek van een anarchist, maar die had toch wel een grappig versje gemaakt op haar naam: Anna.
„Wie schön bist du, Anna wie schön ist Ilire Namen Anna-an-na An-na.
Du bist von hinten wie von vorne”
En hij lachte nog, die leuke aardigert:
„Du bist von hinten wie von vorne:
Anna Borne.”
En daarmee was het afgeloopen. Je houdt je goed: maar de 210