Een groentje, denkt Marregien, en zy strykt het sliertje gry-zende donkerblonde haar weg, dat haar strakke kapseltje steeds vriendelijk loslaat over haar smalle, maar goede, vlakke voorhoofd. Heel geen lastig klantje.
„Het komt weer in orde. Der ligt wat op je huis: kan er moge-lijk iets wezen met een zwarte vrouw?”
Anna bloost: een zwarte vrouw! „Hoezoo dan?”
„Ja, een zwarte vrouw. Een zwarte vrouw bedreigt je geluk. Maar het zal weer goed komen.”
Al wordt die geruststelling er vandaag even vriendelyk als alle dagen bijgevoegd; welke vrouw die hier het onkènbare lot zijn wil tracht af te spieden, durft die woorden anders verstaan dan als bedekking van de booze oogen der kaarten? „En meer kun je niet zien?”
„Ja wacht es? Ja, ik zou zeggen, der maakt wel iemand een reis bij U. Maar hij komt weer behouden weerom.”
„Een reis? En die vrouw; vindt U dat dan in verband staan met m’n man zegt U?”
„Dat kan ’k niet zien. Nee, meer kan ’k vandaag niet zien.” Zij schuift haar kaarten ineen.
„Hoeveel krijg je van me?”
„Ik zeg meestal vijftig centen, mevrouw. Ja, de dames geven natuurlijk wel ’s wat meer. Maar dat is vrije verkiezing.” Anna Born geeft twee kwartjes en een dubbeltje. Ze doet niet vóór elleven, denkt Marregien. Maar ’t is een makkelijk klantje, en ze komt nog wel ’s weerom. Want ze knijpt ’m voor haar zwarte juffrouw.
Anna Born verlaat het huisje opgewonden. Zij weet dat heel haar houding van beschaafde leeraars-vrouw haar nu ontschoten is: haar meeningen bij haar Peter en haar kennissen; haar beslistheden tegenover haar dienstmeisje en haar leveranciers, haar waardigheid bij haar jongen; haar figuur in de hoofdstraat, dat is alles hier in het arme achtersteegje als door den rukwind van haar stuurlooze en tot uitspraak-vorm gekomen bijgeloof uiteengeslagen.
Wie kan dat ook denken, dat zoo’n vrouwtje zulke meedoo-genlooze kerven door haar levens-samenhang zal gaan japen, die precies de scheur volbrengen waar zij zelf de gebarsten voosheid weet, en die zij alleen maar niet eerder onderzocht omdat zij gruwde ze te zien? Nu moet zij ze wel zien, en zij ziet niets anders meer. Anna Born ziet zij, en Peter Born, in zijn stille ontevredenheid over haar, en zijn onverwachte en onbekende wijken naar een andere vrouw. Geen wereld, geen
206