en uit gingen met een emotie-verbergenden blik als hadden zij een werkster besteld; en Marregien lachte mee. Want naarmate de bij-verdienste vaster bleek, al bleef zij klein, dorst niemand zijn spot tot ernst of volkomen ongeloof te drijven. En toen Jan zonder werk kwam, verstilde de scherts heel en al; haar bedrijf werd hoofd-bedrijf en hun bij-geloof hoofd-geloof. Marregien kan het opbrengstje nu gebruiken; sinds haar Jan regelmatig met strootjes in den mond van de wandeling thuiskomt inplaats van met bloed-handen en bedrekte klompen, staat het spaar-varkentje leeg en dienen de kwartjes voor de bik. Terwijl zij voor Anna Born haar kaarten schudt, heeft zij al, alsof zij het zoo vaststelde, gevraagd: „Uw man is zeker ook blond?” En als dat voor mekaar is, dan weet zij al wel hoe laat het is. Haar donkerblauwe oogjes in haar smal geworden maar vriendelijke, ja landelijk fijne gezicht en dat hardnekkig zijn blosje houdt, mikt zy vast op haar klantje. En even later vertelt zy dat Mevrouw op moet passen:
„Nou Mevrouw, erg zal ’t niet wezen; maar je moeten toch wel een oogje in ’t zeil houen hoor.”
„Zoo toch?” zenuwachtig Anna Born. Onder het geweld der wentelingen van het ongeluk naar haar veilige plaatsje toe, bij haar sterken man en haar jongen; wie beheerscht den wil van de dingen ten haren gunste? En wie kan haar verzekeren dat er geen verband leeft tusschen den loop van haar slechte kansen en den blik van deze volksvrouw met haar kaarten, al zou die ook door haar blik op haar onderwerp, haar kaarten be-invloeden? Onder den prikkel van een van haar kennissen die vrouw Lampe als het Orakel van den kring noemde, vanochtend toch maar even gauw hier heen geloopen: ’s middags gaan zooveel vrouwen uit.
„Ja.... der ligt wat op je huis. Maar zie, wat het nou precies is, dat zou ik niet durven zeggen.... Maar, o, heden....”
„Dan is er toch wat, hè?”
Vrouw Lampe kijkt naar haar op; met haar flinke, lange lijf, haar Noord-Hollandschen blos, zou haar klant, zonder dien stevigen wipneus, een groote dochter van haar kunnen zijn; het is ver van haar klant in haar waarzegster iets van een moeder te zien, tenzij dan gedurende de vijf minuten dat die rustige effen mond die woorden spreekt, die zij zou willen smeeken, haar de scherpe verfrissching van elke liefdes-moei-lijkheid te willen besparen, en haar de erkendheids-glorie te laten van haar met alles gehandhaafde huwelijks-plaats. Maar zij onderwerpt zich toch geslagen aan die woorden.
205