ZESTIENDE HOOFDSTUK
en beetje kennis, uit haar vele dienstboden-jaren bij de provinciale burgerij, van de menschen boven haar stand; van hun verveling, hun onnoozel vermaak, hun . angst-laster, hun vooze onschuld, hun gemoedelijke -4 minachting naar omlaag en hun hartverscheurenden
eerbied voor wie verder dan zij in den geld-berg doordrong; dat beetje kennis en een beetje lef en wat minachtend meelij met haar klanten, dat is voldoende voor vrouw Lampe om met haar kaartjes leggen een klein weekgeldje van een of twee, en een enkelen keer drie rijksdaalders erbij te halen. Eerst had zij een heimelijk geloof in haar kaarten; zij lei ze met kinderlijke verlegenheid, voor een buurvrouw, een zuster: als verwachting van levens-ontplooiing of als vrees voor klappen van het volks-lot haar vriendelijke maar altijd in het ongewisse zwrevende moederlijkheid dreef naar mee-leven. Men vergat wat de kaarten misten, en bevestigde hun betrouwbaarheid met wat, onder een beetje hulp van den gretigen wil, wel kon kloppen. Het was een zoet pleizier van kleine spanninkjes, van stille grijp-beweginkjes rondom door haar restende onvervuldheid in het leege ondernomen; en voor de anderen zooveel warme geschenken van haar hartelijkheid. Toen zei er eentje: „Je kon er best wat mee verdienen, nou! As je de rijkdom hier haalt, dan krij-je wel een gulden voor een keer.” Een gulden dorst Marregien niet aan. Het kon wel eens vijftig gulden in de week gaan worden, en daar was zij bang voor: vijftig gulden alle weken in het huisje van een arme losse veedrijver en slachters-knecht; zij had een gevoel dat het haar overweldigen zou; dat men het haar dan niet zou laten en haar het geld met haar vrede erbij zou ontnemen. En toen de eerste dame kwam, en zij blozend den uitspraak van haar spel zocht, dorst zij niet meer dan vijftig centen vragen, en was tevreden met haar geldje, dat zelfs een spaarpotje kon gaan vullen zoolang haar Jan zijn vier of vijf dagen in de week zijn drie gulden loon inbracht. Van dat oogenblik af wrerd haar geloof in de kaarten alleen bij-geloof in zooverre haar verdienste ook bij-verdienste was. De groote Jan en de kleine Jan en Willenden en de kleine Hein lachten om haar kaartjes-kamertje; om haar nette jurkje met het schijnheilige kant-boordje aan haar halsje, dat zij tegen het „middag-spreekuur” aan ging trekken, voor haar klanten die het achterdeurtje in
204