klas. Ook de rest van de school. En leeraren. Voor het oogen-blik is Eli vergeten.
Hij weet later dat Otje als tegelijkertijd vóór hem stond, den sleutel in zijn zak liet glijden, en hem wegduwde.
„Smeer ’m maar,” drong hij, „’t is z’n eigen schuld, ’t Is jammer, jong. Jammer.”
Dat is alles wat hij weet: dat alles rondom nu ontzield stond van hopeloosheid, in den schrik om wat zijn sleutel ging doen, toen hij hem had los gelaten.
En dat de angst om nog iets van de gevolgen bij te wonen, hem wegdreef in een vlucht.
203