bitter toe; een harde stomp tegen Matthias’ borst, èèn, om te antwoorden op al die ondragelijke aanrandingen.
„Smerige aansteller! Stomme lafbek! met je jongetjes! Hou je op een afstand hoor!”
Een overmachtige botsing tegen zijn lijf, met meer wildheid dan Matthias bedoeld had tegen hem te gebruiken of noodig vond. Eli slaat achterover op de keien van het plein. Een bons van zijn achter-schedel tegen den steen; een wee gevoel van bloed. En stekende pijn. En verslagenheid. En dan verdriet. Stilte. En oploeiende woede. Louise van der Wal. Bij Matthias ook: Louise van der Wal, maar anders, niet om haar besloten eigenheid, maar om alle meisjes als zij: hun meisjes. Matthias kijkt haar aan. Zij kijkt vóór zich. „Jakkes die jonges,” zegt Mientje. Zij vluchten weer een eindje weg. Matthias zet zijn bril vast, licht hijgend, voor het oogenblik voldaan, en loopt langzaam door, tusschen de anderen in.
Eli kent de bedoeling: zoo is het precies in orde. En dat kan nu niet meer voor hem: zoo kan het niet meer in orde zijn. Pijn, altijd kans op pijn, als hij zich wil handhaven, en een eindeloos durende staat van vernederdheid. De opstand is verblindend in hem, en de kracht die opgeroepen moet om zich te laten gelden, woelt zoo al zijn levensdrang om, dat hij, heel en al zonder schaamte-hekommernis om de anderen, huilend om de pijn, piepend en gillend van wraak-behoefte, weer toe-rent. „Godverdommééé!”
Een vrees hij de jongens voor dien vreemden, uitzinnigen wan-hoopsdrift:
„Matthias! Matthias!”
Vier armen grijpen Eli in zijn vaart om het lijf. Hij worstelt, hij vloekt. „Laat me los, godverdomme! Laat je los?” Hij slaat raak, met zijn vuisten. Eén slaande arm wordt vastgeklemd. Hij kan niet verder komen. Niets meer om zich te wreken. Geen steen? Niets? En zóó dichtbij, en niets kunnen doen?
Het is sneller en anders gebeurd dan hij het wil of mogelijk acht. Jankef’s zware sleutel uit zijn broekzak slingert door de lucht; Matthias kijkt om en op; een tel later voelt Matthias zich al zijn zekerheid ontzinken. Het glas van zijn bril rinkelt; een kreun, een schreeuw, terwijl hij zich kromt en zijn hand naar zijn gezicht brengt: „M’n oog!”
Kreten, als pijlen van ontsteltenis en afschuw, zwenken uit de jonge menschdiertjes wankel door de lucht: het bloed stroomt uit Matthias’ linker oog. Van schrik laten Bunge en Buyshof Eli los; alles schiet toe op den held en den lieveling van de
202