Paul grijnst. Hij trekt zich niets aan van die toespeling op hun vriendschappelijkheden; hij vindt ze bespottelyk.
„Laat me door,” zegt Eli, „vooruit!”
„Moet je Matthias maar vrage, of je der door mag!” wijst Paul met zijn hoofd.
Eli kijkt om: Louise! Hij voelt zijn recht op wraak. Dit nog te durven na die weergalooze brutaliteit met de schuur.
„Dat?” zegt hij, „ik dat vragen of ik er door mag? Dat is niks; en dat vraag ik niks.”
„Je weet toch wel dat het onze aanvoerder is?”
„Aanvoerder,” sart hij. Geen vrees meer. Vermoorden zal men hem heusch niet hier, en boven zijn angst voor de rest is hij uit. Hij is in een soort verheffing; hij voelt geen lichaam meer, en in die ontstijging is hij met de werkelijkheid van zijn geest tot aan den grond toe verbonden. Hij spreekt tot Paul van Marken; tot Paul kan hij goed spreken. Dat is iets van hün werkelijkheid dat hij goed kent.
„Aanvoerder! Ik weet wel dat het jullie aansteller is,” zegt Jankef’s jongen, „maar hij heeft zich nou tegen mij zoo min aangesteld, dat ik nooit meer een woord tegen ’m spreken zal, al zou-ie nog zoo graag willen.”
Zij lachen: „Met jou!” roepen zij, „och jö, hij is veel te vies van je, laat je nou niet uitlachen. Snap je dat nou niet?”
„Ja dat snap ik best. Maar hij weet nou wel hoe ver of ’t met ’m is. Hij heeft nou goed laten zien wie die is. Hij doet of ik te min voor hèm ben. Maar da’s bluf! Anders niet. Jullie bent ook zulke goochemers! Jullie wreten het geeneens, maar hij kan niks tegen me zeggen. Vuile grappies om jullie aan het lachen te houen. Maar praten kan-ie niet tegen me. Hij wéét gewoon niks tegen me te zeggen. Geen woord. Niks!”
„A! verdikkeme, laat ’m toch door!” roept Otje Berghuis die buiten den kring met van der Kuyle staat. Hij voelt gevaar, nu hij merkt dat Eli het gevecht zóó weinig ontwijkt.
„Ik weet wel wat ik doe,” zegt Johan tot Paul en Gerrit Jan, „ik ga de Vaars hale hoor. Het moet nou maar’s uit weze met jullie allemaal tege één en dezelfde jonge. Ik vind’t verdomd laf hoor.”
Hij loopt een paar stappen weg, en Matthias nikt dat de kring open moet. Eli loopt eruit en van der Kuyle komt terug. Hij is geraakt, Matthias; hij is verrast, louter door zooveel krach-tigen haat. Zelfs zijn gegroeide verachting jegens die Joden-luizenjongen die nu ook nog jongen uit het hol van den Jodendiefjesmaat blijkt, verliest haar invloed op hem en op zijn jon-
200