Jankef's oude sleutel

Titel
Jankef's oude sleutel

Jaar
1930

Pagina's
336



kracht noch gevolgelijkheid begrijpen, bewegen al groepjes die het gevecht niet eens opmerken; in de bontheid der bewegingen van het plein denkt men aan spel. De leeraren wandelen verderop, en alles is gebeurd eer zij er iets van gezien hebben. Voor Eli is het een gevecht tusschen hem en Matthias; in zijn houding negeert hij alle anderen; zij zijn voor hem Matthias’ knechtjes en hij bedoelt met die lang niet overal begrepen minachting hen hevig vernederend te straffen. Ook nu heeft Matthias hem nog niet rechtstreeks toegesproken; maar Eli voelt op dit oogenblik, nu hij vol staat van zelfverdediging, dat niet meer als een kracht in zijn vijand. Hij gelooft opeens, dat Matthias, buiten dien hoon van een belachelijk beeld dat hij zich van hem gemaakt heeft, niets zou künnen zeggen. Hij kan niet met hem spreken, want hij kent niets van hem. Zoo ziet hij, en hij ziet het nu met gehitsten trots. Want hij heeft nu ook het meisje in hun botsing betrokken, en dat maakt Eli niet alleen blind en fel van beslotenheid tegen elke aantasting van zijn waardigheid, maar het slaat ook den laatsten eerbied bij hem weg voor Born. De opzet om hem voor haar te willen vernederen in zijn verliefdheid, die jongensverliefdheid voor haar en alle anderen te willen krenken, daarmee gaat hij veel verder dan Henri de Bas met zijn hoed; dat is niet meer te voelen als die smartende vergissing, waarmee hem, onbewust, Matthias’ gedrag totnogtoe heeft getroffen. Dat zijn laatste rechten van den scholier, van zijn leeftijd en van zijn aard, die waarin zy allen tegen de doove wereld van de volwassenen staan, vernietigd zouden moeten worden, dat wondt hem zoo diep, dat hij in de scherpte van zijn verweer, Matthias op dit oogenblik voelt als een leeg wezen, dat voor vol speelt. Hij kan niet gelooven dat Matthias tot welken graad ook van zijn verborgen gelukkigheid in staat is, als hij ze hèm ontzegt, of als hij er niets van ziet, of als hij ze openlijk bevuilt, zelfs voor Louise zelf; hij kan niet gelooven dat Matthias dan ooit iets moois te verbergen heeft. En wie niets moois te verbergen heeft, die is voor hem een leege huid. En die ontdekking, die betrapping, is voor hem een stille, duivelsche vreugde: een diepe voldoening jegens elke weifeling die deze jongen hem nog jegens zichzelf kan bezorgen. Alleen.... de anderen, en Zij, zij weten het niet. En zooveel nog weten zij niet.... Hij loopt op Paul van Marken toe, die de hand van van Wyhe houdt.

„Heb jij nog suikerklontjes? Of nog ballen?”

199

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.