nemen. Want juist in dat zwijgen van Otje voelt hjj een zwak-heids-verklaring voor zich, en hij kan hem nu eenmaal niet genoeg meedeelen om zoo’n dienst te aanvaarden die Otje den omgang met de heele klas kan kosten, als Matthias dat zou willen. Hoe rechtschapen hij Otje vindt, dat offer vertrouwt hij hem niet toe; daarvoor is meer vriendschap noodig dan zij samen hebben kunnen bereiken. En hij maakt zich bedremmeld los: in Otje breekt iets open terwijl hij Eli nakijkt, van verwondering die een vastheidje krijgt van eerbied; het vastheidje keert weer in verwondering, als een open trechter naar Eli toe; in zijn hart wordt de trechter smal: een afkeuring van die ongewoonheid. „Verder,” denkt Otje, „is het een goeie jonge; je zou misschien best met ’m kunnen opschieten. En als het waar is van dat helershol, nou dan kan hij dat toch niet helpen,” meent hij sentimenteel.
En Eli laat ook van der Kuyle gaan. Van der Kuyle is niet zoo dom, en hij is goed, maar hij is slap in zijn gevoeligheid, en Eli moet zijn verwijdering herhalen. „Nou, waarom loop je weg,” vraagt de jongen, „blijf nou maar bij ons. Dat is toch beter? als die vervelende kerels weer wat tegen je beginne?” Een zwijgende ontkenningsknik van Eli, en hij laat hem staan. Het plein is vrij vol; andere klassen zijn nu ook losgelaten. De jongens en meisjes ravotten of spelen regelmatig; en velen wandelen. Louise van der Wal en Mientje wandelen samen, arm in arm; Suze Penard met de bruine zwart-oogige Jo van Driel en de zure bleek-blonde Rika Brummelkamp. Waarom loopt die Louise van der Wal ook eens nooit alleen? Waarom gaan de dingen zoo bijna altijd tegen zijn verlangen in? Gearmd met dat wicht, en hij wil wat tot haar zeggen, eer de aanval komt. Vooruit, hij loopt haar richting uit; als het gedaan is, is hij blij. Hij is vlakbij haar, en daar komen Matthias en de zijnen aanhollen; Gerrit Jan van Wyhe huppelt, dat valt hem nog op in de benarring, en een groot deel van de klas aarzelt hen verspreid achterna. Het is toch anders dan hij verwacht heeft: eer hij het weet, is hij, met Louise en Mientje, omsingeld. Een afgesproken spel begint: zijn daad is dus voorzien. De jongens roepen om beurten tot Louise, om den afstand tusschen Eli en haar zoo wijd te stellen als hij voor hen is:
„Zeg Wiesje, ken je je broer John niet meer?”
„Hij heb gemaddeld met de meid!”
„Hij heb het uit de vullesbak opgevischt!”
197