houden van Eli’s woorden, zegt: „O, niks,” en tot Mientje: „Wat zei-die ook precies?”
„Hij zei: Ik wist het niet,” zegt Mientje met een nadruk die ook afkeuring tegen Matthias beteekent. En Matthias knikt en gaat, zijn blik naar Eli dreigend waakzaam om. Hij weet niet dat Eli al buiten de grenzen van zijn durf was, met op haar toe te komen. Wat wil hij van hem, die pestjonge? Busselman zet zijn harde hoed op, kijkt ernstig naar hem, neemt hem dan ook van hoofd tot voeten op. Dat doet koud aan, zoo’n blik, die hem als veroordeelde beziet en hem dat ook doet voelen, en dan van hem weggenomen wordt zonder iets achter te laten dat bescherming is.
Van Wyhe springt gemeenzaam met zijn handen op Matthias’ schouder, zoet, verlegen, maar aanvaard. Bunge, Dick Horst-mans, Ap van Leeuwen, alle Mexicanen, rondom hun leider, en nu gaat ook Paul van Marken bij hen. Zij praten druk en kijken enkele keeren naar hem om: Eli weet dat Paul hun het verslag brengt van het gesprek in de bank. Naast Eli komt Otje loopen, en de blonde zoete krullebol van der Kuyle. Otje zegt:
„Ze hebben het weer op je gemunt hoor.”
„Nou wat kan ’t je schele,” lijst Johan, „dat zal je toch zeker zellef magge wete? wat je aan mag trekke?”
„Ze zijn gemeen,” beslist Otje, „ik geloof dat ze je een ge-meene poets willen bakken! Houdt ze maar in de gaten.”
Eli voelt de beschuldiging van den brand naar zijn lippen klimmen. Hij moet zich inspannen om ze niet uit te spreken. Maar het mag niet: het kan verschrikkelijke gevolgen hebben, en wat zou het je spijten dat je zoo kinderachtig was geweest om niet even je smoel te kunnen houen.
„Ze kunnen naar de verdommenis loopen,” zegt hij. Maar hij zegt het dof en niet vol uit zijn keel, want hij verwacht een verschrikkelijken, misschien beslissenden aanval. Tegenover Otje en Johan houdt hij zich groot; in gedachten loopt hij het plan op te gooien om de vlucht te kiezen, nu meteen: naar huis te loopen, en niet meer terug te komen. Hij weifelt of hij dit wel aan kan; het is nu te veel en te lijfelijk, wat dreigt. Ginds langs het water; in gedachten afscheid nemen van alles van hier, en er is rust. Maar zijn woede tegen deze jongens voor wie hij dan nog zou moeten vluchten, en zijn opdrijvende drang naar de daad van Louise nog aan te spreken, winnen het met scherpe kracht van zijn beweging naar de veiligheid. Hij blijft. Hij voelt dat Otje bij hem wil blijven; maar dat kan hij niet aan-
196